De tweede jeugd van Bettine Vriesekoop

Voor het eerst sinds vijf jaar doet ze weer mee aan een Nederlands kampioenschap tafeltennis. Bettine Vriesekoop, inmiddels 30 jaar. Haar eerste nationale titel won ze toen ze half die leeftijd had. De tweede jeugd van een topsporter, die nooit een eerste gekend heeft.

“Je moet eerst inkrimpen om te kunnen uitzetten.” Met instemming citeert ze die Chinese wijsheid. Het is een spreuk die geldt voor haar dagelijks leven: je moet kunnen verliezen om te kunnen winnen. Het lijkt ook het motto van haar tweede tafeltennissersbestaan.

Om weer plezier te krijgen in haar sport, om opnieuw te kunnen groeien en gedijen, moest ze zich eerst vol walging afkeren van het spelletje dat haar van haar jeugd had beroofd, dat haar lijf had uitgeput, dat haar persoon had beknot. Alleen op karakter, alleen op haar bergenverzettende wil, had ze het lijden nog weten te rekken tot de Olympische Spelen van Seoul. Terwijl ze zo ontzettend moe was. Terwijl ze er allang geen zin meer in had.

Maar Seoul moest de bekroning van haar carrière worden. En nog één keer onderwierp ze zich vlak voor de Spelen aan een zware trainingsstage in China. Omdat haar coach en toeverlaat haar dat gezegd had. Zo nam ze afscheid van het tafeltennis: overtraind en overspannen. Met een zevende plaats.

Daarna volgde de verlossing en hel tegelijk. Bevrijding à la cold turkey. Want eindelijk had ze zich ontdaan van het juk van de tafeltenniskoelie. Maar dat juk had haar ook vijftien jaar lang houvast gegeven. Had haar ook al die tijd geleid. En nu was ze vrij, maar wat moest ze met die vrijheid in een vreemde wereld waarvan ze steeds was afgeschermd? Wie was ze eigenlijk, zij die zichzelf alleen in termen van tafeltennis had gedefinieerd?

De eerste maanden van onthouding waren het moeilijkst. Eigenlijk merkte ze toen pas in zijn volheid wie ze werkelijk was. Dat ze niet stug en star en ontoegankelijk was, zoals het beeld nu eenmaal wilde. Ze was zo gemaakt. Door jarenlange kadaverdiscipline die haar creativiteit, haar levenslust had gesnoeid en gesmoord.

Ze voelde ook het verdriet over de kinderjaren die ze - tafeltennis spelend, altijd maar tafeltennis spelend - door haar haar vingers had zien glippen. “Nooit naar een schoolfeest. Nooit met een vriendje naar de kermis.” Voor het doormaken van de puberteit was geen tijd geweest.

Dat was de keerzij, die als een schaduw over haar carrière hing en aanvankelijk alles bedekte. Treuren om wat nooit meer terugkomt. Ook boosheid. Waarom had ze niet zoals al die andere mensen een gewoon, harmonieus, alledaags leven kunnen leiden? Tot ze besefte dat zo'n doorsnee-bestaan nu eenmaal niet strookte met haar karakter. “Liever anders dan normaal.” En dat ze niet alleen een hoge prijs had betaald, maar ook veel had teruggekregen.

Dankzij de topsport had ze geleerd om het beste uit zichzelf te halen. Om haar zwakheden te camoufleren. Om haar sterke kanten volledig uit te buiten. “Een topsporter kan zichzelf niet uit de weg gaan. Hij wordt automatisch geconfronteerd met alle facetten van zijn persoonlijkheid. Daarom leeft hij ook zo intens.”

Geleidelijk kreeg ze vrede met haar sportverleden. Hoewel dat niet gold voor de manier waarop ze de sport had bedreven. Het isolement, de monomanie, het tot kotsens toe trainen, met een zandvest van 5 kilo om, op twee tafels naast elkaar geschoven, tot ze er bij neerviel, dat was allemaal niet nodig geweest. Het had haar lijf ondermijnd en haar alle lol ontnomen. Achteraf zegt dat ze jaren achter elkaar overtraind is geweest. Ze noemt het een wonder dat ze nog prestaties heeft geleverd: twee keer winnares van de Europese Top Twaalf, vijf keer tweede. “Ik had veel meer kunnen winnen als ik anders had geleefd.”

Uiteindelijk greep ze in 1989 toch weer naar haar batje. Aanvankelijk heel vrijblijvend, maar al snel weer serieuzer, toen ze nieuwe kwaliteiten in haar spel ontdekte, juist dankzij een minder dwangmatige manier van trainen. Ze voelde zich ontketend, bevrijd. En zo begon ze aan een tweede topcarrière. Als een afrekening met het verleden. Als een revanche op zichzelf.

Bondstrainer Dusan Tigerman zegt dat ze aan soepelheid, lef en snelheid gewonnen heeft. Dat ze tactisch sterker is geworden. Zelf vindt ze dat ze vergeleken met zes jaar geleden zeker twee klassen beter speelt. Als ze opnamen ziet uit die tijd, heeft ze het gevoel dat ze naar slow-motion kijkt.

Ook haar spelopvatting is veranderd. Vroeger placht ze af te wachten. Wat resulteerde in eindeloze backhand-backhand-rally's. Tegenwoordig is ze veel meer geneigd om het initiatief te nemen. Ze wil zelf de punten maken, niet wachten tot haar opponent de fout in gaat.

Ze speelt niet meer alleen met haar lijf, zegt ze, maar ook met haar hoofd. Vroeger dacht ze er niet eens bij na als ze de bal weer in het spel bracht. Nu weet ze precies wat ze wil met een service, en welke slag er volgen moet.

Dat ook haar souplesse toegenomen is, vindt ze logisch. Vroeger was er altijd de druk die haar spieren verkrampte. Haar hele leven was afhankelijk van het tafeltennis. Wanneer ze verloor, voelde ze zich als “totaal persoon finaal mislukt”.

Tegenwoordig heeft ze er nog steeds ontzettend de pest in als ze verliest. Maar haar leven staat of valt er niet meer mee. Ze heeft haar sociale contacten, haar studie natuurgeneeskunde. Ze bestaat ook zonder sport.

Die metamorfose ging niet zonder haperingen. Bij de Europese kampioenschappen en de Top Twaalf van dit jaar werd ze geplaagd door twijfel. Telkens kwamen er weer beelden uit het verleden bovendrijven. Het verleden dat ze wilde uitbannen, buitensluiten, maar dat onlosmakelijk was verbonden met het tafeltennis. Ze hoefde maar iemand te zien die er ook vroeger bij was, of daar stroomden de herinneringen. Weg concentratie. Hoe kon ze weer tafeltennisen en toch het verleden vergeten?

Daar kwam het rampzalig verlopen WK in Japan nog overheen, waar bleek dat ze “te kwetsbaar was, teveel van andere mensen uitging”. Was Mirjam Hooman-Kloppenburg bij de Europese Top Twaalf niet als eerste geëindigd en zij als derde? Mocht ze er dus vanuit gaan dat Mirjam als sterkste ten minste twee partijen zou winnen? Nee dus, maar dat deed ze wel. En toen Mirjam slecht presteerde, viel ook zij uit haar rol. Daarbij had ze het gevoel dat anderen de veranderingen in haarzelf niet onderkenden. Onbegrip alom.

Een half jaar later zegt ze stellig: “Dat komt niet meer voor.” Net zoals ze ervan overtuigd is dat ze de twijfel van de Top Twaalf achter zich heeft gelaten. Tijdens een trainingsstage in China ervoer ze misschien voor het eerst wat ze beschouwt als essentie van het tafeltennis: boven de materie staan, spelen zonder remming. Ze voelt zich sterker dan ooit.

Ze weet dat ze “in principe van iedereen in de wereld kan winnen”. Als alles meezit. Als de vorm van de dag er is. “En waarom zou dat niet tijdens de Olympische Spelen zijn”, zegt ze strijdlustig. “Dat kan gemakkelijk.” Dank zij haar zestiende plaats op de wereldranglijst hoeft ze zich niet meer te kwalificeren voor Barcelona. Dat heeft het voordeel dat ze in januari met een gerust hart opnieuw naar China kan gaan. Nog een keer de adembenemende stank van zweetlucht, boenwas en mottenballen inhaleren. Nog een keer de Chinese onverstoorbaarheid ervaren die ze bewondert en zelf zo node mist. Of ze doorgaat na de Spelen? Ze weet het nog niet. In elk geval niet op dezelfde voet. Na al die jaren kost het haar steeds meer moeite om zich steeds weer op te laden. Bijvoorbeeld voor de competitie. Dat geldt eigenlijk ook voor het Nederlands kampioenschap in Den Bosch dat dit weekeinde wordt gehouden. Tien jaar achter elkaar - van 1977 tot 1986 - heeft ze dat toernooi gewonnen. Sindsdien heeft ze nooit meer deelgenomen. Ze vond het wel genoeg.

Ook dit jaar had ze weg willen blijven. Maar de bond besliste dat de nationale selectie moest meedoen. En ze had niet willen dwarsliggen na het WK-debâcle. Ze had geen zin om weer een rel te krijgen. Daarom speelt ze: zonder morren. “Als ik meedoe, wil ik ook wel laten zien dat ik de beste ben.”