De terugkeer

"Wanneer men voor het eerst een nieuw en vreemd land betreedt, is het moeilijk de planten waarvan men de gecultiveerde vormen kent te herkennen in het wild; er gaan maanden voorbij voor men redelijk vertrouwd is met de gewone planten om zich heen.'

Dit schreef E.H. (Ernest) Wilson (1876-1930) over de flora in China. Hij mag gedesoriënteerd zijn geweest toen hij daar voor het eerst op plantenjacht ging, maar na tien jaar moeten de planten voor hem bekende gezichten hebben gehad. Heel bekende gezichten zelfs; zo moet hij, toen hij in 1910 naar Hunan en Sichuan terugging, onder meer de volgende planten zijn tegengekomen: Aesculus wilsonii, Aconitum wilsonii, Cladrastis wilsonii, Clematis montana wilsonii, Cornus wilsoniana, Corydalis wilsonii, Incarvillea wilsonii, Iris wilsonii, Philadelphus wilsonii, Picea wilsonii, Pinus wilsonii, Populus wilsonii en Sinowilsonia henryi. ""Eén van de mijne'', moet hij met gepaste bescheidenheid hebben gedacht als hij er een zag.

Het is misschien maar goed dat niet alle planten die Wilson in China heeft ontdekt zijn naam dragen, want daarvan zijn er wel duizend. Bovendien zijn in sommige gevallen de namen later veranderd; dat is bijvoorbeeld gebeurd met Arundinaria murielae, een bamboe genoemd naar Wilsons dochter Muriel. Deze is onlangs door de Rectificators der Bamboenamen herdoopt tot Thamnocalamus spathaceus, maar dat heb ik voor mijn eigen exemplaren verborgen gehouden, dus die weten van niets en luisteren nog naar hun oude naam. Gelukkig is Rosa helenae, de roos die Wilson naar zijn vrouw noemde, dit lot tot dusver bespaard gebleven. Zoals in de IJstijd planten overal werden gedwongen steeds verder naar de gematigde klimaten te verhuizen, zo werden ze in China steeds meer gedwongen de wijk te nemen naar de bergen door de intensieve landbouw. Vroege plantenjagers als Robert Fortune (1812-1880), die theestruiken uit China smokkelde en zo de theecultuur in India hielp vestigen, concentreerden zich wat de sierplanten betreft voornamelijk op de rijkdom van de tuinen die zij in China aantroffen. Ziezo, moet men toen hebben gedacht, dat was dat, nu hebben we de Chinese sierplanten. Er waren avontuurlijker reizigers voor nodig, en niet te vergeten een paar missionarissen, om de werkelijke glorie van China te ontdekken: de Franse abbé's David en Delavay, de Russen Przewalski en Maximowicz, de Ier Augustine Henry en niet in de laatste plaats de Engelsman Ernest Henry "Chinese' Wilson, de actiefste plantenverzamelaar van allemaal.Het was met de opdracht ""zaden te verzamelen van soorten die waarschijnlijk winterhard zouden blijken in Groot-Brittannië, en levende exemplaren van zekere planten die alleen bekend zijn in de herbaria van verschillende Europese landen'', dat Wilson door het kwekerijbedrijf James Veitch & Sons Ltd uit Chelsea in 1899 werd uitgestuurd naar China. Veitch aarzelde niet ook zelf praktische adviezen te geven; een ervan luidde bijvoorbeeld: ""Zorg altijd een glimlach op je gezicht te hebben en sta jezelf nooit toe te denken dat het slecht gaat - want vergis je niet: het kan altijd nog veel erger.''

De moeilijkheden van het reizen in zulke afgelegen uithoeken van de wereld waren niet gering, maar Wilson schijnt deze woorden ter harte te hebben genomen; zijn dagboek verraadt in elk geval, behalve een aanzienlijke bekwaamheid in de logistiek, een opmerkelijke effenheid van temperament. Net als nu nog waren aan het reizen in China specifieke ergernissen verbonden: Wilson noemt de ontstellende staat van de Chinese wegen (""De woordenschat van de gemiddelde reiziger is niet toereikend om het gemoed wat dit betreft verlichting te schenken'') en de merkwaardige neiging van de bevolking om niet alleen het bestaan van sommige wegen te ontkennen, maar zelfs van duidelijk op de kaart vermelde plaatsen. Wilson beschrijft ook een paar huiveringwekkende herbergen, waarin het verblijf soms nog ondragelijker werd gemaakt door ""de gangbare gewoonte bij de Chinezen om tot na middernacht op luide ruzietoon te blijven doorpraten... uiterst hinderlijk als je probeert in slaap te komen''.

Groucho Marx noemde golf het beste middel dat hij kende om een goede wandeling te verpesten; afgaande op Wilsons beschrijvingen moet het jagen op planten de beste manier zijn er een te verbeteren. Daar ben je dan, wandelend door het meest fantastische berglandschap, een paradijs voor een botanicus, gerechtigd de hele karavaan te laten stoppen en op je dooie akkertje alles te bekijken wat je belangstelling inboezemt. Op de rotsen van Hubei vond Wilson bomen overgroeid met klimroos (Rosa banksiae): ""een aards paradijs''; in Noordwest-Sichuan groeiden duizenden Buddleia davidii en Hydrangea villosa in het wild, gezwegen van miljoenen Rodgersia aesculifolia. De top van de Wa-shan, een berg in Sichuan, was geheel bedekt met rhododendrons, ""bij duizenden en honderdduizenden... vele wel 10 meter hoog en zich even ver uitstrekkend in de breedte, alle bedekt met een overdaad van bloesems waarachter het gebladerte bijna verborgen ging''. Wilson beschrijft het gevecht om ruimte tussen de planten op de Emei-shan, een van de vijf heilige bergen van China: ""Het is maar goed dat planten niet kunnen spreken, of het victoriegekraai van de overwinnaars en het kermen der verliezers zou voor de mensheid niet uit te houden zijn.''

In Hubei verzamelde Wilson eens meer dan vijftig nieuwe planten op één dag; daar stond tegenover dat het verwijderen van kreupelhout en takken om twaalf duidelijke foto's van bomen te verkrijgen ook een hele dag in beslag kon nemen. Wilsons expedities werden soms lamgelegd door een diluviale regenval (geen wonder dat die planten zich later zo thuis voelden in Engeland), maar verder was er blijkbaar weinig dat hem kon ontmoedigen. Of beter gezegd hen, want de karavaan waarmee hij het land door trok bestond uit twintig dragers, een paar mensen voor het planten verzamelen, een kok, een draagstoel voor hemzelf, een voor zijn bediende, en de hond.

Er ging ook wel eens iets mis. Bij het verzamelen van bollen van de koningslelie - Wilsons grootste vondst - werd zijn been verpletterd door een aardverschuiving. ""Urenlang lag hij zo tot zijn dragers terugkeerden, hem bevrijdden en op het rotspad legden om te zien hoe hij er aan toe was. Terwijl zij dat deden kwam er een kudde plaatselijke muilezels aanstormen. Het pad was zo smal dat hij het blokkeerde, en alle vijftig dieren sprongen over hem heen... Ondanks de paniek veroorzaakt door de hoeven die vlak over hem heen gingen hield Wilson de overgebleven bollen tegen zich aangeklemd, vastbesloten ze in veiligheid te brengen. Vernuftig spalkte hij zijn gebroken been met het statief van zijn fototoestel en werd in drie dagen op de ruggen van zijn dragers naar zijn basiskamp teruggebracht. Daar begon zijn been te onsteken; het moest bijna worden geamputeerd, maar de leliebollen, ongeveer zesduizend, werden onmiddellijk doorgestuurd naar Boston. Wilson genas en zou nog twintig jaar op dat been lopen, maar in die vallei is niemand sindsdien ooit meer teruggeweest. Van die oorspronkelijke partij stammen alle koningslelies af die nu in onze tuinen groeien.'' (geciteerd naar Robin Lane Fox).

In de elf jaar die hij in China doorbracht verzamelde Wilson 65.000 specimina van bij elkaar 5.000 soorten. Van de door hem geïntroduceerde planten worden er op het ogenblijk nog steeds meer dan 600 in de Engelse tuinen gevonden. Wat hem fascineerde was de overeenkomst tussen de Chinese flora en die van Noord-Amerika, met als meest frappante voorbeeld de magnolia. Opmerkelijk is ook dat de magnolia's, ginkgo's en rhododendrons die Wilson in China zag in feite verre verwanten zijn van planten die in de achtereenvolgende IJstijden uit Europa zijn weggevroren: twee miljoen jaar geleden moeten onze prehistorische tuinen geleken hebben op het botanische paradijs van West-China. Het is als het opnieuw tot leven brengen van een dode taal of een vergeten beschaving waarvan alleen geschreven documenten bewaard zijn gebleven; Wilson heeft die planten eigenlijk niet zozeer in Europa geïntroduceerd als ze er weer teruggebracht.

E.H. Wilson: "A Naturalist in Western China' (1913). London, Methuen, 1986. Robin Lane Fox: "Variations on a Garden'. Oxford, R.&L., 1986.