Bestaat er een relatie tussen het aantal mensen ...

Bestaat er een relatie tussen het aantal mensen die een sport beoefenen en het aantal mensen die in die sport op internationaal niveau uitblinken? Bij een sport als schaatsen lijkt het wel zo te zijn.

In landen als Nederland, Noorwegen, Rusland en Zweden is schaatsen een volkssport' en hieruit kan worden verklaard dat de meeste internationale kampioenschappen door schaatsers uit die vier landen worden gewonnen. Maar wacht eens even: vóór Ard en Keessie' was schaatsen ook al eeuwenlang zo geen volkssport, dan toch volksvermaak, maar tot een Kees Broekman die in 1953 Europees kampioen werd, zijn er sinds Jaap Eden aan het begin van deze eeuw weinig Nederlandse schaatsers van wereldklasse geweest.

In IJsland is bridgen een volkssport. IJsland heeft (met zijn 300.000 inwoners) zo juist de prestigieuze titel van de Wereld Bridge Federatie gewonnen, het wereldkampioenschap voor teams met de bijbehorende Bermuda Bowl. IJsland kan met Nieuw-Zeeland bogen op de grootste bridgedichtheid' ter wereld. Waarschijnlijk heeft deze wereldtitel zo'n laaiend enthousiasme onder de niet-bridgende bevolking teweeggebracht dat die bridgedichtheid nog sterk zal toenemen. Voor de IJslandse kranten is bridge voorpaginanieuws, scholen willen bridge in het lesprogramma opnemen.

Niettemin zijn de huidige zes wereldkampioenen voortgekomen uit niet meer dan een handjevol, 3.000 welgeteld, IJslandse bridgers. Maar dat is nog altijd meer dan het luttele groepje Italiaanse bridgers - in de jaren '50 niet meer dan 800 - die de spelers van het Blue Team hebben voortgebracht. En dat team heeft zo'n tien jaar lang de sterkste Amerikaanse teams in de strijd om de wereldtitel van tafel geveegd. Die Amerikaanse teams hadden een bridgebond achter zich die toen nog zo'n 200.000 leden telde.

Wat zou de verklaring kunnen zijn voor prestaties als die welke nu door de IJslanders en destijds door de Italianen zijn geleverd? Die verklaring is mogelijk te vinden in de voorbereiding van de spelers; hierover doet de IJslandse journalist Gudmundur Hermannsson in het maandblad Bridge een aardig boekje open. De voornaamste ingrediënten bestonden uit een coach, training in mentale en fysieke ontberingen tijdens een lang toernooi, het kweken van teamgeest (gezamenlijk joggen en bergbeklimmen) en... een verbod om gedurende twee maanden na de kwalificatie voor het WK bridge te spelen! Volgens coach Björn Eysteinsson moesten de spelers weer spelbelust' zijn tegen de tijd dat ze voor het WK aantraden.

In het Cap Gemini Pandata Wereld-Toptoernooi dat in januari in hotel Des Indes zal worden gehouden, kunnen we kennismaken met IJslands sterkste paar, Jon Baldursson en Adalstein Jorgenson. Ze moeten het opnemen tegen het sterkste veld dat in alle zes edities van het toernooi ooit door de organisatie op de been is gebracht. Als het aan de kwaliteit van hun biedtechniek moet liggen, hoeven ze weinig te vrezen. Bezie dit spel uit de finale van het WK:

ß7 H 7 5 4

ß6 A H V 9 7 5 2

ß5 V 6

ß4 --

ß7 A B 10 6 3 2

ß6 B 10

ß5 A 2

ß4 B 5 2

Een spel met een dubbele fit heeft per definitie een groot slagenpotentieel, maar of slem biedbaar is, hangt ervan af. De partners moeten tijdig kunnen ontdekken of de dubbele fit in beide kleuren solide is en of in de twee andere kleuren niet 2 onmiddellijke verliesslagen zitten. In puur natuurlijk bieden lukt dit zelden, omdat het vaststellen van alleen al de troef-fit veel biedruimte opeist. In het relay-systeem van de IJslanders lukte het echter moeiteloos om 7 ß7 te bereiken:

Z:

--

pas

pas

pas

pas

pas

pas

W:

--

2 ß4

2 ß5

2 SA

3 ß5

4 ß4

7 ß7

N:

pas

dbl.

pas

pas

pas

pas

a.p.

O:

1 ß7

rdbl.

2 ß7

3 ß4

3 ß7

4 ß6

Wat heeft dit allemaal te betekenen? De eerste vijf biedingen - onder het overslaan van 1 SA steeds de naaste hogere biedingen na O's antwoorden - zijn zogenaamde relay-biedingen. Zij vragen partner om specifieke informatie: 2 ß4 vraagt naar de lengte van de openingskleur, O's redoublet toont een 6- of 7-kaart; 2 ß5 vraagt een preciezer antwoord en 2 ß7 toont een 6-kaart ß7 met 2 ß6's; 2 SA vraagt de overige distributie en 3 ß4 geeft een 6-2-2-3-patroon aan; 3 ß5 vraagt naar het aantal controles (A = 2, H = 1) en 3 ß7 toont 4 controles (2 azen, 4 heren of 1 aas en 2 heren); 4 ß4 vraagt waar de controles zitten en 4 ß6 zegt dat een eerste controle in ß7 zit, en geen controles in de ß4-kleur. W's eerste echte' bod is nu meteen het eindcontract. En het goede.

Met traditionelere middelen kwamen de Polen Lasocki-Gawrys (WO) niet verder dan 6 ß7, hetzelfde resultaat als in de finale van het vrouwen-WK waar de paren van Oostenrijk en de VS er evenmin in slaagden groot slem te bereiken.