Amsterdamse raad blijft worstelen met Atlas-complex

AMSTERDAM, 14 DEC. “We hebben de samenleving politiek niet meer aan een touwtje, laat staan de mensen”, zo vatte burgemeester Van Thijn de problemen van de Amsterdamse gemeentepolitiek afgelopen donderdag kernachtig samen. Ook in de stad van bouwmeester Wibaut en wethouder De Miranda werd deze week tijdens de algemene beschouwingen de doodsklok geluid over "de maakbaarheid van de samenleving'. Toch ontkwam de raad niet aan de verleiding van het "Atlascomplex': de neiging van de politiek om al het leed der wereld op zich te nemen. De onderwerpen in het twee dagen durende debat varieerden van het minderhedenbeleid tot de toestand in Oost-Europa, van de conducteurs op de tram tot de vervuiling van het milieu.

Omdat Amsterdamse gemeenteraad door de komst van de deelraden steeds minder over steeds meer te vertellen heeft, kreeg het debat hier en daar een enigszins schimmig karakter. Dat werd nog versterkt door de politieke cultuur binnen de raad, die, sinds het wegvallen van de decennia oude hegemonie van de PvdA, drastisch gewijzigd is. “Ik vraag me wel eens af: voelt iemand zich nog verantwoordelijk voor het college”, zo verzuchtte Van Thijn op een gegeven moment. Het antwoord van PvdA-fractievoorzitter A. de Waart: “Voelt het college die verantwoordelijkheid nog wel zelf?”

Dat de raad in deze overgangsjaren enigszins met zichzelf in de knoop zit bleek met name uit de behandeling van het minderhedenbeleid. Niet alleen de electorale opkomst van ultra-rechtse groeperingen in het buitenland, maar ook de recente dodelijke steekpartijen in Amsterdam wierpen een schaduw over het raadsdebat. Amsterdam mag dan wel het initiatief hebben genomen tot het houden van een “nationaal minderhedendebat”, in eigen huis zijn de resultaten van het minderhedenbeleid nog lang niet op orde. Van Thijn, met zijn pleidooi voor een tolerante, gemengde samenleving de afgelopen weken volop in het nieuws, erkende dat er vooralsnog “onvoldoende resultaat” was bereikt.

Gegevens uit de gemeentebegroting ondersteunen de vrees van de burgemeester. Wat betreft de “coördinatie minderhedenbeleid” wordt alleen de huisvesting van religieuze voorzieningen als moskeeën en de pensions van Turken en Marokkanen genoemd als gebieden waar de gemeente de zaken inmiddels in de hand heeft.

Terwijl de tijd dringt omdat de problemen groter worden, is de speelruimte voor eigen beleid inmiddels sterk afgenomen. Zo is het minderhedenbeleid dermate versnipperd over diensten en deelraden dat een volledig overzicht ontbreekt. In de gemeentebegroting is, naast nog enkele losse projecten, voor de coördinatie van het minderbeleid slechts een post van 1,5 miljoen terug te vinden. De inspanningen bij de afzonderlijke gemeentelijke diensten, de scholen en de politie zijn niet geïnventariseerd. Niemand weet hoeveel geld waaraan wordt uitgegeven en wat de effectiviteit van het beleid is.

De raad heeft zichzelf bovendien voor een belangrijk deel buiten spel gezet doordat het minderhedenbeleid is gedelegeerd aan de zestien deelraden. Uit probleemgebieden in de stad, zoals Amsterdam Zuid-Oost, waartoe de Bijlmer behoort, komen echter steeds meer signalen dat het deelraadbestuur niet meer bij machte is om een eigen minderhedenbeleid van de grond te tillen.

In een stad waar de helft van de schoolgaande jeugd uit allochtonen bestaat, moet er nodig wat gebeuren, daar was voltallige gemeenteraad het wel over eens. “Amsterdam is een verzadigingspunt aan het naderen, waarop we geen grote aantallen nieuwkomers meer kunnen opnemen”, zo constateerde zelfs de leider van de tweemansfractie Groen Amsterdam, R. van Duijn. Noch van de zijde van burgemeester en wethouders, noch van de zijde van de raadsfracties kwam echter enig concreet initiatief.

Met gemengde gevoelens moesten de raadsfracties aanhoren dat hun aandacht voor de allochtonen bij de raadsleden van de Centrumpartij en de Centrum-democraten niet onopgemerkt bleef. “Ik heb verschillende sprekers gehoord over de bevolkingsproblematiek. Ik ben blij dat er een duidelijke politieke kentering gaande is”, aldus het CD-lid W.J. de Bruyn.

“De lokale politiek heeft geen eigen gezicht”, zo concludeerde het vorige maand verschenen rapport van de interuniversitaire onderzoeksgroep Lokale Democratie. De gemeenteraadsverkiezingen worden grotendeels door nationale factoren bepaald. Negen van de tien Amsterdammers stemmen bij de raadsverkiezingen op dezelfde partij als bij de Tweede-Kamerverkiezingen. De wethouders blijken bij de bevolking nauwelijks bekend te zijn. De stadsdelen lijken nog minder dan de gemeenteraad de kloof tussen burger en lokale politiek te verkleinen. De meerderheid van de kiezers maakt nog steeds de gang naar de stembus omdat men het een "burgerplicht' vindt. Erodeert dit gevoel - en het rapport noemde een aantal zorgwekkende indicaties - dan komt de legitimiteit van de hele gemeentelijke democratie in gevaar, volgens het rapport.

In zijn bijdrage aan het debat verwees Van Thijn uitvoerig naar het rapport van de onderzoeksgroep. De kritiek van de kiezers concentreert zich volgens hem op drie punten: er is onvoldoende onderscheid tussen de diverse partijen, de politici luisteren niet naar wat er onder de mensen leeft en bovendien acht men "de politiek' niet in staat om de problemen van de stad op te lossen. Van Thijn: “De politiek staat daarmee in een patstelling. Het eerste kritiekpunt kan ondervangen worden als de partijen zich meer profileren. Maar als we die kant opgaan wordt het probleemoplossend vermogen van de politiek sterk aangetast en dat was nu juist het derde kritiekpunt van de kiezer.”

Van Thijn acht de kritiek op het "slechte luisteren' van de politiek echter nog het meest problematisch: “De politiek weet vaak best wat er in de stad aan de hand is, maar er zijn steeds meer opvattingen waar we gewoon niet aan tegemoet kúnnen komen. Op een groot aantal terreinen, bijvoorbeeld op milieugebied, moet de politiek zelfs dwars tegen de stroom ingaan. Populaire verhalen hebben we niet meer.”

In zijn beantwoording pleitte Van Thijn voor een politiek debat met een meer inhoudelijk karakter. Van Thijn: “Dat vraagt politieke inzet, moed en kracht. Maar als we dat niet doen krijgen de demagogen met hun goedkope verhalen vrij spel.”