Academixer: cabaret moet nu marktwaarde hebben; Censuur is een goede leerschool

Net als de stad zelf ondergaat het cabaret in Leipzig een grondige renovatie. Na de eenwording zijn de entreeprijzen opgetrokken en zitten de Westduitse toeristen op de duurdere plaatsen. Volgens Jürgen Hart van het gezelschap Academixer zou meer actualiteit niet misstaan. Maar ook: “Het gaat niet meer om goed en kwaad, het gaat om de lol.”

Het voormalig Oostduitse Leipzig staat in de steigers. Aan tramrails wordt gewerkt en bouwkranen ontsieren het stadsgezicht. Ook de cabaret-scene in Leipzig ondergaat een grondige renovatie. Noodgedwongen: tijden, systeem en publiek zijn veranderd. En cabaret kan nu eenmaal niet achter de gebeurtenissen aanlopen.

Gezeten aan de Stammtisch van het theatercafé vertelt Jürgen Hart, regisseur, schrijver en speler bij het gezelschap Academixer, over de nieuwe problemen. Praktische problemen, zoals het feit dat het theatergebouw nu wordt opgeëist door nazaten van de vroegere eigenaren. En hij verhaalt over de moeizame totstandkoming van het nieuwe programma en het gemis' van censoren, in het oude Oost-Duitsland nog cultuurfunctionarissen genoemd.

“Censuur is een goede leerschool voor cabaret. Het dwingt je zeer precies te formuleren. In het Westen zegt men dat wij in het Oosten geen goede kunst hebben gemaakt, maar dat is niet waar. Onze kritiek op de omstandigheden moest het publiek tussen de regels door beluisteren,” meent Hart.

Het schrijven van een nieuw programma kostte Hart heel wat moeite. “Wat vroeger niet mogelijk was, kan nu op iedere straathoek hardop worden gezegd. Dat is een hele omwenteling. Bovendien heeft het Oostduitse publiek tegenwoordig veel zorgen en komt het naar de voorstelling om te lachen. Het gaat niet meer om goed en kwaad, het gaat om de lol.”

Het regent die avond in Leipzig. De straat waaraan het theatertje ligt, glimt. Uit putdeksels in het plaveisel ontsnapt warme damp die oplicht als een 'trabbi' met helle koplampen de straat indraait. Als door een dichte mist zijn op een steenworp afstand de contouren van de Nikolaikerk te zien. Waar twee jaar geleden duizenden mensen een vuist maakten en Wir sind das Volk' riepen, haasten vandaag mannen en vrouwen met plastic jassen en plastic reclametassen zich naar huis.

Jürgen Hart betreurt die Wende' niet. Integendeel, hij speelde een grote rol tijdens de massale demonstraties in de herfst van 1989. Samen met zes andere vooraanstaande burgers uit Leipzig ondertekende hij een oproep aan de bevolking de demonstraties vooral vreedzaam te laten verlopen. Alleen dan zouden de Leipzigers de overwinning behalen die hen toekwam. “De huidige veranderingen, ach het loopt zo. Waar we vroeger rekening hielden met politieke en ideologische grenzen, hebben we tegenwoordig te maken met economische grenzen. Ons cabaret moet een marktwaarde hebben en de mensen naar binnen lokken.”

De zuiveringen die na de val van de Muur in heel Oost-Duitsland plaatsvonden, zijn aan de deur van Academixer voorbijgegaan. De bijna vijftig jaar oude Hart is aangebleven als cultureel leider. Dat heeft hij ongetwijfeld voor een groot gedeelte aan zijn positieve bijdrage aan de omwenteling te danken. Maar ook het feit dat hij als student Germanistiek en muziekwetenschappen vijfentwintig jaar geleden het gezelschap oprichtte, speelt een rol. Hij is er trots op nooit door de oude socialistische autoriteiten te zijn aangesteld of als hun marionet te hebben gefunctioneerd.

In het kleine zaaltje van de Academixer zijn inmiddels bijna alle 250 stoelen gevuld. Sinds de entreeprijzen zijn opgetrokken, zitten de Westduitse toeristen op de duurdere plaatsen in het midden en zijn voor de Leipzigers twee zijtribunes ingeruimd. Een paar blokken, een oud gordijn en een afgebladerd zitje vormen podium en decor. Het geheel doet denken aan een try out in Appelscha, maar in deze stad met 500.000 inwoners is het een heuse cabaretvoorstelling.

“Natuurlijk heb ik over onze toekomst nagedacht,” zegt Hart. “In het nieuwe Duitsland zijn weinig cabaret-ensembles. Over enige tijd wil ik drie of vier van zulke groepen met een wisselende bezetting oprichten. Deze zouden elkaar niet moeten beconcurreren, maar een totaalprogramma moeten aanbieden.”

Ook de inhoud van culturele programma's in het verenigde Duitsland moet volgens Hart veranderen. Meer actualiteit zou niet misstaan. “Als in Engeland het kabinet valt, hebben ze daar binnen twee maanden een theaterstuk over. Maar hier in Duitsland grijpen ze een stuk van Schiller van een oude, stoffige plank.”

Samenwerken met collega's uit bijvoorbeeld Bonn of Keulen ziet Hart niet zitten. “Daar hebben we geen geld voor.” Daarnaast voelen Hart en zijn vrienden zich opgekocht door het Westen. Het gaat om kleine voorbeelden, die bij de lokale bevolking echter veel kwaad bloed hebben gezet. Zoals het intrekken van de wet die het mogelijk maakt rechtsaf te slaan als het stoplicht op rood staat. Of het opheffen van de jeugdzender DT 64, omdat die niet meer in het mediabestel - natuurlijk naar Westduitse maatstaven - past.

Na de voorstelling nemen Hart en zijn collega's weer plaats aan de Stammtisch. Het geheel ademt een sfeer van de jaren twintig. Het café blijft open tot de laatste gast zichzelf de trap heeft opgehesen. Of dat nu om twee uur of om zes uur in de nacht is. Hoe lang dat nog zo zal blijven, weet niemand. In de oude Bundesrepubliek kennen de cafés namelijk al sinds jaren een vaste sluitingstijd.