Soep, soep, vissesoep

Meneer Ratti legde de knikkers op een glazen schoteltje, dicht bij de kandelaar.

“Oei, wat een geglim en geglinster... Twee oliekokkerds, twee piraten en drie parelbonken. Maakt totaal zeven stuks. Moet ik ze nou in mijn kasboek noteren? Ik weet het niet. Ze zijn van mij, maar... ik heb ze niet gevonden.”

Hij tuurde een tijdje naar de knikkers. Toen zei hij: “Het is gek, maar het is net of ze nu minder glimmen. Dat komt vast omdat ik er zo lang naar heb zitten kijken.”

De kat streek langs zijn benen.

“Jakkes, zo smeer je verf aan mijn broek!”

Meneer Ratti zocht een oude lap.

“Kom hier, dan zal ik het afvegen.”

Hij wreef met de lap over de staart en de snoet van de kat.

“Je moet haar maar snel vergeten, dat meisje Marleen.

Marleen, Marleen, die zit alleen,

ze brak haar houten spillebeen...

En jij, Baron, jij moet dan ook vergeten dat je Vosje heet... Wat me eraan herinnert dat ik gauw nog, voor de winkel sluit, een visje voor de soep moet kopen... Nou Baron, die verf gaat er niet helemaal af. Je ziet eruit of je een pot met slagroom hebt uitgelikt. Maar wat doet het ertoe, als de mensen je niet zien.''

Meneer Ratti trok zijn jas aan.

“Die spillebeen krijgt wel weer een andere kat. En knikkers krijgt ze heus ook genoeg. Tegenwoordig krijgen kinderen alles wat ze willen. Daardoor raken die verwende wurmen ook veel te makkelijk van alles kwijt. Eigen schuld. Moeten ze maar beter opletten.”

Met een schuin oog keek hij naar de knikkers op het glazen schoteltje.

“Het is toch gek, maar het lijkt wel of ze nu nog minder willen glimmen... Zou het aan mijn ogen liggen?”

Meneer Ratti sloeg zijn das om, zette zijn hoed op, pakte zijn stok en haastte zich naar de viswinkel.

Met een pond viskoppen keerde hij terug.

“Voor de soep, voor de soep, voor de vissesoep.”

Hij zette een pan water op de kachel en spoelde de viskoppen onder de kraan. De kat sprong op het randje van de gootsteen, sloeg zijn nagels in een viskop en ging ermee vandoor.

“Ts... lelijke dief!”

Al was het in de kelder nog zo donker, meneer Ratti kon goed zien waar de kat van zijn prooi peuzelde. En dat kwam omdat hij de zilverkleurige viskop zag glimmen.

“Aha, er is dus niets mis met mijn ogen.”

Opgelucht keek hij naar het schoteltje met de knikkers, maar die hadden bijna alle glans verloren.

“Misschien ligt er stof op...”

Meneer Ratti poetste de knikkers driftig aan zijn wollen vest, maar niet eentje knapte ervan op.

“Soep, soep, vissesoep,” zei hij, toen hij de viskoppen in het dampende, borrelende water liet glijden. “Ik heb er alleen geen trek meer in.”

Terwijl de soep kookte, ging hij naar de knikkers zitten staren.

“Doffer,” zei hij af en toe. “Ze worden nog doffer...Ze worden zo dof als kalkedotten.”

De soep brandde aan en een afschuwelijk vieze lucht vulde de kelder.

“De dingen zijn tegen me,” zei meneer Ratti moedeloos. “Dat heb ik in mijn eigen huis nog nooit meegemaakt.”

De kat sprong op zijn schoot. Meneer Ratti schrok. Hij wilde hem wegduwen maar in plaats daarvan gaf hij, zonder erbij na te denken, een aai. En het was of iets van het zachte van de vacht door zijn hand en zijn arm kroop.

(wordt vervolgd)