Robert Pirsigs onderzoek naar moraal; Een cowboy tegen de filosofologen

Robert M. Pirsig: Lila. An Inquiry into Morals. Uitg. Bantam Press, 418 blz. Prijs ƒ 49,85.

Bij Bert Bakker verschijnt deze week de vertaling van Lila door Ronald Jonkers: Lila, een onderzoek naar zeden, 440 blz. Prijs ƒ 45,- en ƒ 65,- (geb.)

Als het oeuvre van een auteur bestaat uit één heel goede roman uit 1974, en zeventien jaar later voegt hij daar een heel slechte aan toe, vraagt een criticus zich af of er wel staat wat er staat.

De auteur is Robert Pirsig, schrijver van Zen and the Art of Motorcycle Maintenance. Dat boek, door meer dan 120 uitgevers geweigerd, maakte van Pirsig een tijdje de beroemdste schrijver van de Verenigde Staten. Het had zijn tekortkomingen - de manifeste symboliek van vrijwel elke gebeurtenis, het zwart-wit patroon van de onderliggende gedachte, het jeugdige ervan, om het badinerend te zeggen - toch was het een meesterwerk.

De epische reis van vader en zoon per motorfiets dwars door de Verenigde Staten heeft een onmiskenbare greep op de lezer, aantoonbaar door het feit dat die lezer steeds allerhande ingelaste lekepreken, Chatauquas geheten, doorworstelt, zonder dat het verhaal zijn fascinatie verliest. Die Chatauquas bevatten filosofische bespiegelingen over kwaliteit, een soms op verontwaardigde, soms op naïeve manier gebrachte samenvatting van veelal negentiende-eeuwse, Duitse filosofie. George Steiner gewaagde van “belegen exerpten van Kant die de agressieve zekerheden van de autodidact verraden”. Maar de manier waarop het herstel van het contact tussen vader en zoon aangeduid wordt door het afzetten van de motorhelmen in een staat waar het dragen van helmen niet voorgeschreven is verraadt een groot schrijver en zal elke lezer van het boek bijgebleven zijn.

Het nieuwe boek van Pirsig bevat wederom een filosofie van de kwaliteit: het boek dient zich aan als een onderzoek naar moraal maar Pirsig zegt terecht dat kwaliteit en moraal identiek zijn. Ook in dit boek wordt gereisd, ditmaal niet per motor maar met een zeilschip. De zeilboot stelt de hoofdpersoon, de schrijver van een zeer succesvol boek over de filosofie van de waarde, in staat “to relate to people on a one-to-one basis, without all the celebrity business standing in between”. Zinnen als deze zijn het eerste probleem: maakte Pirsig die ook al in zijn eerste boek, zinnen als “There's an ego thing in there, too”, “they didn't know how to relate to money” en “the intellectual level had entered the picture”? Wie dat leest, waant zich in The Serial van Cyra McFadden.

Mae West

Ook ditmaal wordt er een poging ondernomen menselijk contact te bewerkstelligen, tussen de wederom Phaedrus geheten hoofdpersoon en Lila, een voormalige schoonheid die vergeleken wordt met Mae West, maar die nu eerder een zwerver in identiteitscrisis is. Blewitt is haar wat overdadige achternaam. “Ik ben niet iemand”, zegt Lila ergens. “Ik ben niet hier. Zoals jij nu... Begrijp je wat ik bedoel. Er is niemand thuis. Dat is Lila. Niemands thuis.” Het contact komt ook niet tot stand. Lila weigert van kwaliteit te veranderen. Als er een verhaal in dit boek zit, is het er een van mislukking.

Evenals in het eerste boek is de hoofdpersoon een selfmade filosoof. Hij maakt zelfs een onderscheid tussen filosofen en "filosofologen'. Filosofologen zijn academische filosofen, die het paard achter de wagen spannen en zeggen dat je eerst de grote filosofen gelezen moet hebben voor je zelf aan het denken mag slaan. Phaedrus is meer in het paard dan in de wagen geïnteresseerd, zegt Pirsig. Phaedrus zoekt eerst uit wat hij zelf vindt en vergelijkt dan met de grote denkers. Het resultaat is ook in dit boek de hardnekkige dreun en de megalomanie van de autodidact. Zo'n beetje iedereen had het bij het verkeerde eind en met de metafysica van de kwaliteit is alles opgelost.

Die metafysica heeft een geweldige hekel aan de officiële wetenschap, aan het subject-object denken, zoals dat heet. De overpeinzingen van Phaedrus op dit stuk doen sterk denken aan de opvattingen bij een bepaald deel van de vrouwenbeweging inzake de "geïnstitutionaliseerde wetenschap'. Met een negentiende-eeuws gedrochtelijk positivisme als molen trekt men ten strijde ten behoeve van de intuïtie, het alternatief, de ziel. De wetenschap, zegt Phaedrus, stelt hoge prijs op statische patronen. “Daarnaar zoeken is haar taak. Doet zich nonconformiteit voor, dan wordt dat beschouwd als een onderbreking van het normale in plaats van de aanwezigheid van het normale. Een afwijking van een normaal statisch patroon is iets dat verklaard en zo mogelijk bedwongen moet worden. De werkelijkheid die de wetenschap verklaart is die "werkelijkheid' die mechanismen en programma's volgt.” Dat geeft geen blijk van veel begrip waarom het in de wetenschap te doen is.

De metafysica van de kwaliteit verfoeit orde. Haar voorkeur gaat uit naar organische groei, naar een evolutie richting steeds hogere niveaus van veranderlijkheid en vrijheid. Er worden vier van die niveaus onderscheiden, het anorganische, biologische, sociale en intellectuele en vijf corresponderende morele codes, anorganisch-chaotisch, biologisch-anorganisch, sociaal-biologisch, intellectueel-sociaal en dynamisch-statisch. De laatste code zegt, volgens Phaedrus, dat wat goed is in het leven niet gedefinieerd wordt door de maatschappij of het intellect of de biologie. Goed is de vrijheid van elke overheersing door welk statisch patroon dan ook.

Waardenladder

In de roman wordt met dit alles niet zoveel gedaan. Er is eigenlijk nauwelijks sprake van een roman. Man ontmoet vrouw is hier dynamicus ontmoet statica en statica laat de kans om via dynamicus de in haar sluimerende mogelijkheden te ontwikkelen en een trapje hoger op de waardenladder te stijgen liggen. Dat omvat ongeveer een kwart van het boek en de rest is metafysica. Filosofie voor iedereen, maar toch filosofie. Om het boek te kunnen beoordelen moet men dus kijken naar het produkt van dat filosoferen. Behoudens die afschuw van de officiële wetenschap is dat hoofdzakelijk een beredeneerde afkeer voor de grote stad en een allercurieuste poging de Amerikaanse ziel te definiëren als een mengsel van de Indiaanse en de Europese. Het manicheïsme van Phaedrus krijgt hier iets grappigs: zo blank als de Indiaanse is, zo zwart is in wezen de onze.

Die Indianenziel is trouwens ook een cowboyziel. Die ziel spreekt Plains, de taal van het (Midden-)Westen, laconiek, understated, vlak maar met een diepe warmte waarvan de bron onvindbaar is. Aan de hand van de cowboyfilm laat Phaedrus overtuigend zien hoe de waarden van de Indianen die van de cowboys en vervolgens die van alle Amerikanen geworden zijn. Iedereen weet wel, voegt hij er trouwhartig aan toe, dat de cowboys op het witte doek weinig van doen hebben met de werkelijke cowboys, maar dat doet er niet toe. Het gaat om waarden, niet om de historische werkelijkheid.

Vrijheid, eerlijkheid en openheid, daar gaan die films over, dat zijn de kenmerken van de Indianenziel. De Europese ziel daarentegen is in wezen victoriaans, is er een van status, protocol en theater. De Amerikaanse ziel ten slotte is het slagveld van de twee: liefde voor kinderen, maximale openheid, vrijheid van spreken, voorkeur voor eenvoud en liefde voor de natuur vechten een strijd op leven en dood met snobisme en veinzerij, frustratie en maniërisme. Dat betekende bijvoorbeeld dat een Amerikaan tegelijk sociaal superieur als een Europeaan en sociaal egalitair als een Indiaan moet zijn. Vandaar de plotselinge beroemdheid van mensen en hun even plotselinge val. "Eerst aan hun voeten, dan aan hun strot.' Wie dit leest moet zich wel afvragen hoe autobiografisch deze overpeinzingen van een eens zeer beroemde schrijver zijn.

Cowboytermen

Kousbroek die destijds in Pirsig een geestverwant begroette, omdat hij de eerste roman geschreven had over de zin en de schoonheid van de techniek, vroeg zich af of het joviale taalgebruik in Zen and the Art of Motorcycle Maintenance een strategie was om de materie toegankelijk te maken. “Of is het toch geen opzet en is Pirsig een ongeschoolde filosoof die deze materie zelf in deze cowboytermen heeft ontdekt? Je weet dat met Amerikanen nooit.” Kousbroek wordt in Lila op zijn wenken bediend, het antwoord lijkt ja.

Toch zijn er redenen om te twijfelen. De hoofdfiguur uit Lila, Phaedrus, die minstens zo autobiografisch lijkt als zijn naamgenoot uit het eerste boek, heeft bijna karikaturale trekken. Op bepaalde momenten in de roman lijkt die hele filosofische inspanning slechts bedoeld om een onooglijk gelijk te krijgen. Verder vertonen de man en zijn denken een aantal contradicties die er niet om liegen: een man die een afkeer voor theater koestert, celebreert aan het eind van een boek een eenmansritueel, een filosofie bedoeld om tegenstellingen te verzoenen, maakt een scheiding tussen licht en donker als God bij de schepping.

Ten slotte, die 'metaphysics of quality' heet bij wijze van tijdsbesparing MOQ. En Lila heet Blewitt. Hoe zou Phaedrus heten? Flout? Flunk? Zou Pirsig zijn alter ego bedoeld hebben als gelijkhebberige drammer, zoals Lila gezien kan worden als meer dan een biologische constructie, meer dan een maatschappelijke mislukking. Er is sprake van een onsterfelijke Lila, “noem haar lila, die onsterfelijk is, die een tijdje in Lila woont en dan verder trekt”. Precies hetzelfde doet Pirsig met een bepaalde Indiaan, outsider en opperhoofd tegelijk: “Dit was everyman. Er is geen levende ziel die niet op de een of andere manier in zijn situatie was.” Lila en Phaedrus worden op een bepaalde plaats geïdentificeerd als loners, buitenstaanders, zoals die Indiaan, extreem en tegelijk elckerlijc. Is die zelfingenomen man met al zijn theorieën de zelfverbranding van de man met theorieën uit het eerste boek? Is Phaedrus de gelijkhebber in ons, het beeld van de man die zichzelf belazert? Ik kan alleen zeggen: je weet dat met Amerikanen nooit.