Regisseur Sjarov leeft voort in het Nederlandse toneel

Sjarov in Holland, Ned. 3, 20.25-21.55u.

Lacherig, niet goed wetend wat hen staat te wachten, betreden de toneelspelers het theater aan de Amstel. Allemaal zestigers, allemaal behorend tot de generatie die het naoorlogse Nederlandse toneel nieuwe glans en onvergetelijke voorstellingen verschafte. Ze weten alleen dat Hans Keller en Ton Lutz hen hebben uitgenodigd om te komen vertellen over de Russische regisseur Peter Sjarov, onder wiens letterlijk bezielende leiding hier een Tsjechov-traditie ontstond. In de foyer zijn ze nog in een afwachtende stemming. De tongen komen pas los als Lutz hen meevoert naar het toneel, waar een Sjarov-achtige omgeving is geschapen: herfstbladeren op de grond, landhuisstoelen en een Russische krant op de stijlvol gedekte tafel. Ga zitten, zegt hij, en vertel.

Peter Sjarov (1885-1969, in oude knipsels meestal gespeld als Scharoff) was een naturalist in de voetsporen van Stanislavski, met wie hij nog had gewerkt. Hij vluchtte in de jaren dertig naar het Westen. Met de Nederlandse acteurs zocht hij, vervuld van weemoed en verlangen, naar het Rusland dat hij had verloren, aldus Lutz, en die Nederlanders gingen met hem op zoek naar een wereld die ze niet kenden. Hij sprak in een onbeholpen soort Duits, dat ze bijna allemaal proberen na te doen. Frau weint aber lacht, luidde een hem typerende regie-aanwijzing. In een tv-interview uit 1963 beaamt hij: Kein andere Land gemacht so viel Tsjechov als in Holland.

Keller laat hen kijken naar historische repetitie-opnamen voor De drie zusters. Sjarov zoekt naar woorden voor de essentie van de karakters, maar demonstreert ook hoe de samovar moet worden bediend. Sigrid Koetse vertelt hoe de landhuisdecors zo ongeveer waren doorgetrokken tot de kleedkamers, om de acteurs de illusie van echtheid te geven: “Ik heb nog nooit zó in een woning gewoond, ik kende het hele huis, hij zorgde ervoor dat ik precies wist hoe de tuin er uitzag...” In een opname van De kersentuin uit 1963, door het gezelschap met een brok in de keel bekeken, zijn de tjilpende vogeltjes te horen die ook een stijlkenmerk van Stanislavski waren. Ergerlijk dat de kijker tijdens dat fragment alleen naar de toekijkende acteurs mag kijken en niet te zien krijgt wat zij zien - opeens worden we buitengesloten.

Als de anecdotische, maar verhelderende verhalen over Sjarov verteld zijn, maakt Keller duidelijk dat de man niet louter een incident was. Hoe hij voortleeft, blijkt vervolgens uit de manier waarop Lutz twee stukjes Tsjechov instudeert. Eerst met Ann Hasekamp en André van den Heuvel, daarna met leerlingen van de toneelschool. Lutz is veel analytischer dan Sjarov was; hij abstraheert meer, maar draagt de invloed van Sjarov tot op de dag van vandaag met zich mee. Dat leidt even tot een woordenwisseling met de in de zaal aanwezige Theu Boermans, die al dat expressieve commentaar op de tekst niet nodig vindt. Een echte discussie wordt het helaas niet, zodat Sjarov in Holland voorbijgaat aan de anti-Sjarov-voorstellingen die sindsdien van Tsjechov zijn gemaakt. Keller suggereert een ononderbroken continuïteit, terwijl de werkelijkheid iets minder vredig is. Intussen heeft hij een documentaire gemaakt, die niet alleen een hommage aan Sjarov is, maar ook een liefdesverklaring aan 's mans toneel en zijn toneelspelers.