Column

Ontspanning

Nu volleybal in Nederland een echte volwassen topsport is geworden en de trainer op een proleterige betaald voetbal-manier op een zijspoor is gezet, moet ik de hele dag aan die Arie Selinger denken. Die man kan in dat wereldje dus iets wat anderen niet kunnen. En wat is dat dan? Zwerver inspireren om de sprongservice te perfectioneren, zijn motivatie oppoetsen en er dus voor zorgen dat Ron elke dag weer fluitend zijn knielappen in zijn tas doet. Kortom: Arie weet veel van volleybal, is de Jorritsma van deze zaalsport en kan aan zijn mannen haarfijn uitleggen waarom het nodig is om zeventig uur per week te oefenen om je vingers niet te verrekken op een balletje dat over een netje moet. Zeventig uur is veel.

Dat die Oosteuropeanen altijd zo goed konden volleyballen begreep ik wel. Als je trainde hoefde je niet in de rij bij de bakker, kreeg je een behoorlijk huis, een Lada en zag je af en toe iets van het buitenland. Maar als je in Nederland woont en je kan dagelijks in vrijheid kiezen uit duizenden restaurants, boeken, tijdschriften, films en je hebt een netje of twintig op de kabel dan ben je toch zwaar gestoord als je je zeventig uur per week opsluit in zo'n zweetzaaltje. Je moet je als volleyballer toch minimaal drie keer per dag afvragen: waartoe, waarvoor?

Baseballers vangen een tonnetje of wat, Van 't Schip zit letterlijk op de bank als hij een paar weken toekijkt en met Boris Becker gaat het zo goed dat hij zonder pijn in zijn hart een paar miljoen in München kan laten liggen. Dus je kijkt op een bepaald moment terug op je eigen leven en dan zit daar vijf jaar volleyballen om de eer bij. De gehoopte gouden plak is er niet van gekomen en zelfs zilver of brons was niet voor je weggelegd. En je kan ook niet zeggen: “We hebben verschrikkelijk gelachen in die tijd”. Want er is niets anders dan doffe ellende geweest. Gezeur met bestuursleden, ruzie met spelers die naar Italië verdwenen, steeds weer die tegenvallende resultaten en elke keer weer dat opbeurende, motiverende praatje van die Arie, die als enige zijn zakken vulde. Het blijft voor mij een raadsel. Mijn broer traint ook een keer of wat per week, maar al die jongens van het Nederlands hockeyelftal doen er nog zoveel dingen bij dat ze het nog steeds als een hobby zien. Je bent toch niet goed als je je beroep maakt van iets dat bedoeld is als louter ontspanning.

Laatst was ik op zo'n onvermijdelijke zoutjesverjaardag en in de kring zat een stille jongen. Fout jasje, verkeerde broek, witte sokken en een Spaatje rood. De onderwerpen stuiterden door de kamer en er werden weinig hangijzers geschuwd. De meningen wisselden gedeeltelijk van eigenaar en er werd vrolijk gedronken. De jongen was zwijgend aanwezig en Wim Beeren, Van den Broek, Gorbatsjov, Nijenrode, Lubbers, Neelie, Peper, Goldreyer, Beredien uut Wisp en al dat andere nieuws gingen volledig langs hem heen. Het verbaasde ons dan ook niet dat om een uur of elf zijn eerste woorden van die avond waren: “Ik ga naar huis”. Hij was de nieuwe liefde van de zus van de jarige. Toen ze hem had uitgelaten en terugkeerde in de kamer voelde zij dat iedereen iets van hem vond. Ze wilde ons een slag voor zijn en bloosde: “Hij is een beetje stil hè? Hij weet niet zoveel als jullie allemaal, maar hij weet weer heel veel van andere dingen. Zo weet hij alles van volleybal”. Is hij dat, dacht ik en dronk mijn glas in een enorme teug leeg.

Kortom: Harrie Brokking, ga lekker naar de film!!!