Mijn toekomst voor hun toekomst?

"Uw toekomst voor hun toekomst', met deze leus probeerde Cals indertijd leraren uit de grond te stampen voor het snel expanderende middelbaar onderwijs. Ook de andere slogan die in alle familiebladen verscheen, is onvergetelijk: "Achter ieder geslaagd mens staat een leraar'. Van dit thema is ook de afbeelding op mijn netvlies gebrand: achter een zichtbaar geslaagd zakenman, die als teken van welstand vergenoegd een sigaar rookte, stond een bezadigd man die trots neerkeek op zijn ex-pupil.

Ze zijn in massa gekomen, vooral de studenten letteren die hun eigen vooruitzichten identificeerden met de toekomst van scholieren. Ze kwamen af op het aanzien dat het leraarschap had. In het bijzonder zij die als eersten van hun familie "doorleerden', hadden groot respect voor de verbreiders van de schoolkennis: was de leraar niet het prototype van een geslaagd iemand? In de jaren zestig werd hun status gematerialiseerd in forse salarisverhogingen die Toxopeus de ambtenaren deelachtig liet worden. Nu zijn zij op de scholen de vijftigers en achter-in-de-veertigers die aan de goede kant van de caesuur zitten. Meewarig kijken zij naar de na-HOSsers die het voor zoveel minder moeten doen. Ongelovig stellen zij vast dat sommigen van hun jonge collega's beginnen met een netto-inkomen dat lager is dan wat zij als werkloosheidssuitkering zouden kunnen vangen. Deze jonge leraren voelen zich wel wat vreemd, maar ze aanvaarden dat inkomensverlies maar als één van de vele investeringen die ze zich moeten getroosten om hun voorkeur, een loopbaan in het onderwijs, te volgen. Zij weten dat zij nooit de welstand van de senior-collega's zullen bereiken.

Ach, er staat zoveel voldoening tegenover. Eindelijk kan de verkokerde kennis van abstracte tentamens worden omgezet in een functionerende synthese. Het eigen enthousiasme voor het vak blijkt waarachtig besmettelijk te zijn. En de meest "boekige' intellectueel ontdekt bij zichzelf heuse pedagogische talenten. Het adagium "docendo discimus' (door onderrichten leren we) blijkt nog steeds geldig. De groei in persoonlijkheid is één van de belangrijkste premies van het jonge leraarschap. Er is geen baan waarin men zo meteen wordt beloond als men het goed doet en zo meedogenloos afgestraft voor tekortschieten. Deze directheid van de terugkoppeling maakt het leraarschap geen idylle, maar wel een dagelijks avontuur. Vaak overvalt mij een golf van weemoed als ik achterin een klas de worsteling van één van mijn studenten volg en weer de unieke warmte bespeur die er bestaat tussen een leraar en zijn klas. Dat Theo-Thijssen-gevoel kent het tertiair onderwijs met al zijn kameraadschappelijkheid niet: welke ambitie was het die me ertoe bracht dit paradijs op te geven?

Was het de angst opeens af te knappen? Een leraar is het niet gegeven in zijn nadagen rustig "af te bouwen', zoals menig beambte kan doen: zijn omgeving zorgt er wel voor dat er eenvoudig minder werk op zijn bureau terecht komt. Maar de leraar staat iedere dag weer in de vuurlinie. Opeens gaat het niet meer. Soms breekt er iets bij de leraar bij een eenvoudig griepje, waarvoor hij vroeger niet zou zijn thuis gebleven. Nog steeds zijn de vangnetten voor de tragische afgang van de oudere leraar niet fijnmazig genoeg: er zijn te weinig zinnige functies in en om de school waarin de gerijpte leraar dienstbaar kan zijn. Het probleem van de aftakelende leraar zal binnenkort weer acuut worden als ook het onderwijs uitgeVUT is. De mensen van mijn generatie zullen tot hun vijfenzestigste voor de klas staan, zo er niet langer een beroep op hen zal worden gedaan.

Want het stroompje leraren dat van de universiteiten komt, is beangstigend smal. Voor mijn eigen vak (klassieken) tekent zich nu al een tekort af. Andere vakken kennen nominaal nog een grote voorraad werkzoekenden, maar het onderwijs geldt als het voorgeborchte van de hel.

Als echte sociaal-democraat ziet Wallage dat de kwaliteit van het onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de docent. Verhoging van de hongerlonen en een statuszoekende commissie-Van Es getuigen van de oprechte wil om een keer ten goede tot stand te brengen. Een pleidooi voor een verbubbeling van de leraarssalarissen is niet te verwachten. Een academische opleiding is nu eenmaal een algemeen goed geworden: de prijs is eenvoudig gezakt. Maar de ervaring in de communistische landen leert dat het leraarschap status kan hebben zelfs al ligt de bezoldiging ver onder die van vaklieden. Wel moet worden gezegd dat de werkbelasting daar aanzienlijk geringer was. Toen ik een jaar geleden aan Tsjechoslowaaksee collega's de rijkdom van onze didactiek schilderde, werd in de discussie het als ondermijnend bedoelde vraagje gesteld “maar hoeveel uur geven leraren bij jullie eigenlijk” (met de bijgedachte: als wij zo riant weinig uren hadden, zouden wij ook zulke leuke dingen kunnen doen). Er ging een schokgolf door de zaal toen ik de 29 uur van onze normbetrekking noemde - gevolgd door een tweede rimpeling toen de Tsjechische vertaling de waarheid van de eerste mededeling bevestigde. Zij kenden een maximum van 18 uur en vonden dat aantal al te hoog (en een Tsjechoslowaaks onderwijsuur telt maar 45 minuten.)

Alom wordt nu wel erkend dat er concrete voorzieningen nodig zijn om het leraarschap uit het slop te halen. Welke sjerpen en insignes kunnen ervoor zorgen dat inderdaad de besten voor de klas komen te staan? Ik verwacht iets van maatregelen die bevorderen dat het leraarschap - ook - als een intellectueel beroep geldt. Daartoe moet het noodlottig gradensysteem worden afgeschaft: een universitair examen dient de enige graad te zijn die voor onderwijs op welk niveau dan ook kwalificeert. Ook de "onderwijzer' van de basisschool dient in onze geschoolde maatschappij een academicus te zijn. Pedagogie en onderwijskunde horen slechts een onderdeel van zijn geestelijke bagage te zijn. Hij-zij moet een brede kennis op hoog niveau bezitten om te kunnen optreden als cultuurdrager en -overdrager.