Het Europese Duitsland van Thomas Mann wankelt

De wereld wordt geconfronteerd met een tweede Joegoslavië, dit keer een Joegoslavië met kernwapens, maar Genscher en Kohl gaan gewoon door met het verspreiden van hun geruststellende boodschap: “Europa hoeft zich geen zorgen te maken. De Duitse eenwording en de noodzaak eensgezind op te treden tegen het uiteengevallen Sovjet-rijk, hebben de behoefte om onze reusachtige economische en nu ook politieke macht te verankeren in Europa, juist versterkt in plaats van verzwakt. Het adagium van Thomas Mann blijft prevaleren: wij wensen geen Duits Europa maar een Europees Duitsland”.

Natuurlijk, er zijn genoeg Duitsers die hier werkelijk in geloven. Wie het werk van hun filosofen kent weet dat de peilloze diepten van de Duitse ziel voortreffelijk kunnen samengaan met het geloof in principieel onverenigbare zaken. Niemand kan er echter omheen dat (zoals Bik stelt in NRC Handelsblad van 30 november) het nog maar de vraag is in hoeverre de machtsverhoudingen in Europa de mogelijkheid van een Europees Duitsland open laten. Dit idee gaat eraan voorbij dat er in Duitsland een groeiende irritatie is over de houding van de overige lidstaten tegenover de Duitse problemen aan de Oostflank. Ook kan men zich afvragen of de afspraken van Maastricht wel naadloos aansluiten bij Thomas Manns adagium.

Duitse verankering in Europa is een conceptie die haar zin heeft verloren na de val van de Berlijnse muur. Tot 1989 was het mogelijk om de economische reus Duitsland in een keurslijf te dwingen dat niet altijd strookte met zijn nationale belangen. Zo is West-Duitsland altijd een netto-contribuant van de EG geweest, de Franse en de Nederlandse boeren hebben er een dikbelegde boterham van gegeten. Nu de economische reus ook een politieke reus is geworden, weerhoudt niets de Duitse regering ervan zich te concentreren op de verdediging van haar werkelijke belangen.

Duitse preoccupatie met zijn werkelijke belangen brengt al gauw aan het licht dat de houding van de niet-Duitse leden van de EG niet bepaald coöperatief is. Op alle fronten brengen de acties van de lidstaten de Duitsers tot wanhoop. De behoefte van de rijke lidstaten om een EMU tot stand te brengen, doet de Bundesbank vrezen dat hier het beste wat Duitsland heeft voortgebracht, een harde munt, wordt verkwanseld voor een hachelijk Europees compromis. Het interessante daarbij is dat de man in de straat misschien niet veel begrijpt van "het debat met de vele afkortingen', maar dondersgoed weet wat de voordelen van een harde munt zijn. Op landbouwgebied vragen Duitse industriëlen zich af waarom hun regering de alimentatie van de Nederlandse en de Franse boeren continueert in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Alimentatie past niet meer bij de nieuwe positie van het Duitse rijk in Europa. En helemaal niet als deze alimentatie een gemeenschappelijk landbouwbeleid in stand houdt dat het grootste obstakel vormt tijdens de Uruguay-ronde waar de Duitse industriële belangen op het spel staan. Tenslotte is Duitsland bepaald niet tevreden met de houding van zijn EG-partners jegens de Zuid- en Oostflank van Europa. De Duitse regering heeft zich er zeer aan geërgerd dat de EG onder Nederlands voorzitterschap zo lang heeft geaarzeld over de erkenning van Slovenië en Kroatië. Ook zijn de Duitsers niet onder de indruk van de activiteiten van de overige lidstaten om het uiteenvallen van het Sovjet-rijk op vreedzame wijze te laten verlopen. De investeringen en leningen van de overige lidstaten vallen in het niet bij de gigantische Duitse inspanningen op dit gebied. Dit kan tot gevolg hebben dat Duitsland wegens zijn geografische positie een nog grotere vluchtelingenstroom moet verwerken dan nu al het geval is.

De Duitsers kwamen dus niet bepaald goedgemutst naar Maastricht. Ze hadden er geen geheim van gemaakt dat zij geen EMU zouden accepteren, als er geen EPU tot stand zou komen. Zij wilden een gemeenschappelijk buitenlands beleid (op basis van stemmen met meerderheid), een Europese defensie zonder dat de NAVO zou worden ondergraven, meer bevoegdheden voor het Europees Parlement, een sociale paragraaf en een gemeenschappelijk vluchtelingenbeleid. Duitsland, de machtigste staat van de gemeenschap, heeft deze wensen echter nauwelijks kunnen verwezenlijken. Duitsland krijgt een EMU, maar een verwaterde EPU, lidstaten houden hun vetorecht bij het gemeenschappelijke buitenlands beleid, het Europees Parlement krijgt nauwelijks meer bevoegdheden en het vluchtelingenbeleid blijft een bilaterale aangelegenheid. Kunnen deze slechte onderhandelingsresultaten worden verklaard uit het feit dat de Duitsers zich nog steeds laten leiden door de uitspraak van Mann?

Natuurlijk had Duitsland zijn wensen slechts kunnen realiseren als geen van de andere lidstaten had dwars gelegen, omdat in Maastricht met unanimiteit werd gestemd, wat de ware krachtsverhoudingen in Europa na de Duitse eenwording vertekent. Maar er is meer aan de hand.

Kohl heeft zich er in Maastricht namelijk zeer snel bij neergelegd dat alleen de EMU er door is gekomen. Dat is merkwaardig omdat de EMU eigenlijk neerkomt op een Duitse concessie. Het is nog nooit vertoond dat een land met een succesvolle munteenheid vrijwillig bereid was deze op te geven voor een schimmiger collectief arrangement. Toch heeft Kohl deze concessie gedaan. In de eerste plaats omdat de convergentiecriteria van de EMU in Duitse ogen een garantie zijn tegen deelname van de arme zuidelijke landen. Het is een illusie te denken dat de arme lidstaten erin zullen slagen in 1996 te voldoen aan deze criteria. Dat is mooi want een EMU, beperkt tot de rijke landen houdt automatisch in dat het rijke noorden niet hoeft te investeren in produktiviteitsverhogende projecten in het arme zuiden. Bovendien verkneukelt Kohl zich er volgens de Frankfurter Allgemeine over dat ook de arme landen hebben ingestemd met de keiharde convergentiecriteria terwijl Maastricht nog geen concrete afspraken heeft opgeleverd voor de cohesie, de overheveling van geld van het noorden naar het zuiden. Om deze reden was Kohl er zo op gebrand in Maastricht een onomkeerbaar "EMU-tijdpad' met harde criteria vast te leggen, zonder dat de cohesie concreet is ingevuld. Het arme zuiden krijgt geld voor de implementatie van milieurichtlijnen en verbeteringen in de infrastructuur. De exacte bedragen zijn echter onduidelijk en worden pas volgend jaar vastgesteld. González en zijn collega's krijgen het dus nog moeilijk thuis.

Kohl weet ook dat de oppermachtige rol van de Bundesbank in het huidige EMS grote frustraties oproept bij de andere landen die lid zijn van het EMS. Kohl is bereid met name de Fransen gunstiger te stemmen door hun in het kader van een Europese Centrale Bank meer zeggenschap te geven over het Europese rentebeleid. Hij vindt namelijk dat de onrust die de Duitse eenwording in Frankrijk heeft teweeggebracht alleen kan worden onderdrukt als zijn land in de vorm van een acceptatie van een EMU weer eens bewijst dat het nog steeds streeft naar een Europees Duitsland in plaats van een Duits Europa. Maar omdat het verankeringsargument een anachronisme is sinds de Duitse eenwording, is het nog maar de vraag of Thomas Mann het zal winnen van Machiavelli.

Toch speelt dat achterhaalde verankeringsargument nog steeds een rol in de Duitse politiek. Daar komt bij dat Kohls positie in eigen land er niet sterker op is geworden. Sinds de SPD een meerderheid heeft in de Bondsraad kan deze partij wetgeving over de financiering van de eenwording blokkeren. Kohl heeft dan ook dringend een buitenlands politiek succes nodig om zijn binnenlandse positie te versterken. Zijn adviseurs hopen nu dat een EMU verpakt in verankeringstaal aanslaat. Of dat lukt is twijfelachtig.

Er is nog een andere reden waarom de Duitse delegatie zich zo constructief heeft opgesteld jegens de EMU. Kohl en zijn adviseurs waren zo verheugd over het feit dat een toekomstige uitbreiding van de gemeenschap niet zal worden bemoeilijkt door oeverloze "verdiepingsdiscussies' dat zij de nadelen van een EMU minder zwaar hebben laten wegen. De Europese Commissie heeft namelijk in Maastricht een plan op tafel gelegd dat de uitbreiding van de gemeenschap met nog meer landen dan alleen Oostenrijk en Zweden, afhankelijk maakt van de vraag of het huidige besluitvormingsmechanisme dat kan dragen. Dit voorstel heeft Kohl direct de grond in geboord omdat hij in Maastricht weer eens heeft vastgesteld dat de overige lidstaten betrekkelijk ongevoelig zijn voor een "oplossing' van de Duitse problemen aan de Oostflank.

Maastricht is namelijk niet geslaagd in een gemeenschappelijk vluchtelingenbeleid en een slagvaardig gemeenschappelijk buitenlands beleid. Voor Duitsland blijft er daarom nog maar één alternatief over: verbreding van de EEG. Kohl heeft er dan ook zorg voor gedragen dat een verbreding (overgangsovereenkomsten met Oosteuropee landen) niet kan worden verhinderd door oeverloze discussies over efficiëntere besluitvormingsmechanismen.

Het Duitse beleid hinkt op twee gedachten: aan de ene kant is men bereid een EMU in beperkte kring te accepteren, aan de andere kant wil men zo snel mogelijk verbreden. Deze twee wensen zijn moeilijk te verenigen. Een EMU, uitsluitend mogelijk tussen de rijke landen, vergroot juist de kloof met de arme lidstaten en de Oosteuropese nieuwkomers. Uitsluitend de rijke landen genieten immers van de voordelen van een EMU. Om deze reden bemoeilijkt een EMU verbreding. Het ziet er dus naar uit dat de Duitsers, willen ze hun geloofwaardigheid niet verliezen, het onverenigbare zullen moeten verenigen. Misschien hopen sommige Duitsers stiekem dat in 1996 nog steeds uitsluitend Frankrijk, Denemarken en Luxemburg aan de criteria voldoen. Dan kan Thomas Mann het wel vergeten.