Fabels

Een vos drong eens het huis van een toneelspeler binnen en terwijl hij daar zo'n beetje aan het rondsnuffelen was, vond hij een masker. Het was een kunstig uitgevoerd masker. De vos nam het tussen zijn poten en bekeek het aandachtig. “Wat een hoofd!”, zei hij ten slotte, “en er zit niet eens verstand in.”

Dat is een fabel van Aisopos, die ik erg mooi vind zonder haar helemaal te begrijpen. De moraal lijkt tamelijk eenvoudig: wat is uiterlijke schoonheid waard als er slechts domheid achter schuilgaat? Niet veel soeps, zijn wij geneigd te denken. Daarom wordt van Miss Universe niet alleen verlangd dat zij beschikt over perfecte billen & borsten, maar ook over tien vingers, waarmee zij Bach kan spelen en de pagina's kan omslaan van Sartres volledige werk.

Die moraal is zelfs tot de beeldende kunst doorgedrongen. Schoonheid alleen is onvoldoende. Een schilderij mag niet alleen maar mooi zijn. Het moet uit een ontwikkeling voortkomen of in een traditie staan. Het woord "context' is heel populair bij museumdirecteuren en kunsthistorici. Een schilderij moet bovenal "belangrijk' zijn.

In al haar bondigheid gaat de fabel van Aisopos natuurlijk ook over acteurs. Wil de vos zeggen dat toneelspelers eigenlijk dom zijn? Ik weet het niet zeker, al is dat wel een opvatting die bij heel wat regisseurs leeft. Hitchcock omschreef zijn acteurs als "vee'. Pluimvee, zou de vos in het kippenhok hebben gezegd. Of gaat de fabel over maskers en wordt er alleen maar gezegd dat een verstandig mens zich niet achter een façade moet verschuilen?

Maar ik wil het hier niet hebben over schoonheid, noch over acteurs of over maskers. Ik wil het hebben over de fabels van Aisopos. In een antiquariaat vond ik een verkruimeld boekje, waar ze alle 141 in stonden. Soms sla je van een boek een willekeurige pagina open enje weet bij de eerste regel dat het voor jou geschreven is. Dat had ik bij de fabels van Aisopos.

Fabels zijn moppen, door de eeuwen bijna versteend tot mythes. Veel fabels gaan over menselijke eigenschappen, zoals ijdelheid, hebzucht of leugenachtigheid. Maar de beste fabels gaan over het noodlot. Het verhaal is vaak heel primitief. Een man, die een moord heeft bedreven, wordt achtervolgd door wraakgierige nabestaanden. Bij de Nijl aangekomen, wordt de man aangevallen door een wolf. Hij vlucht een boom in, maar daar kruipt een slang naar hem toe. Om zich te redden laat de man zich in de rivier vallen, waar hij wordt opgegeten door een krokodil.

Al ingewikkelder is deze: een vader droomt dat zijn zoon door een leeuw verscheurd zal worden. Uit angst dat zijn droom uit zal komen, sluit hij zijn zoon op, maar om de gevangenschap voor de jongen wat dragelijker te maken, schildert hij op de muren allerlei dieren, waaronder een leeuw. De zoon, ontevreden met zijn lot, krabt de ogen uit van de geschilderde leeuw en daarbij krijgt hij een splinter onder de nagel. De splinter gaat er niet meer uit en leidt spoedig tot een dodelijke infectie. Dat is steeds het algemene raam van de noodlot-fabel: de tuinman ziet de dood en vlucht, uitgerekend naar Isfahaan, waar hij 's avonds nog zal worden opgehaald. Des te opmerkelijker is het dat één van Aisopos' fabels lijkt te spotten met deze pessimistische filosofie. Het is een indrukwekkende fabel van niet meer dan vijf regels. Een grijsaard heeft hout gehakt, dat hij mee naar huis wil nemen. Maar de weg is lang en de last is zo zwaar dat hij onder zijn vracht bezwijkt. Dan roept hij om de dood. Maar als de dood komt en vraagt waarom hij geroepen is, antwoordt de grijsaard: “Om mijn vracht op te tillen”.

Hier spreekt de moderne mens. Zelfs de dood is een verschijning die je als een bediende aan het werk kunt zetten en die je belachelijk kunt maken als het je belieft. Wat de dood geantwoord heeft, laat de fabel in het ongewisse, vermoedelijk omdat de dood niet terughad van die onbeschofte opmerking.

Sprekende dieren zijn er tegenwoordig alleen nog voor de kinderen. In zekere zin heeft Walt Disney een einde gemaakt aan de fabel. Een verhaaltje met een duidelijke moraal spreekt geen volwassene meer aan. Het noodlot is vervangen door de ironie. Het communisme is verdwenen en ook de populariteit van de fabel komt nooit meer terug.