Eenwordingsgedachte is op expositie Wanderlieder nog ver weg; Wij zijn te oud voor Europa

Uitgangspunt van de expositie "Wanderlieder' in het Stedelijk Museum in Amsterdam is dat kunstenaars zouden nadenken over "de veranderde sociaalculturele omstandigheden in hun eigen leefomgeving'. De verschillen zijn groot: de kunst uit West-Europa is veel meer op zichzelf betrokken dan die uit Oost-Europa. “Eigenlijk bespeur je nergens op de tentoonstelling iets van verwachting over de eenwording van Europa”, aldus de Roemeen Ion Grigorescu. Staat organisator Wim Beeren alleen met zijn Europa-gedachte?

Expositie Wanderlieder. Dertien kunstenaars uit Europa. Stedelijk Museum, Amsterdam, tot 9 februari 1992. Open: dag. 11-17 u.

Directeur Wim Beeren nodigde dertien Europese beeldende kunstenaars uit om in het Stedelijk Museum een monumentale muurschildering te maken over, kort gezegd, de eenwording van Europa. Dit opmerkelijke verzoek leidde tenminste in één geval tot een even opmerkelijk resultaat: het kunstwerk dat de Roemeen Ion Grigorescu in enkele weken ter plekke vervaardigde. Niet dat Grigorescu's "Aanbeveling voor Golania (Romania, Hollandia)' nu zo monumentaal van karakter is, daarvoor is het te gefragmenteerd. Het mist een grote opzet. Een muurschildering is het in feite ook niet, het is eerder een collage, bestaande uit een rijtje tegen de wand aanleunende portretten, een aantal geschilderde figuren en gebouwen, enkele slordig uitgeknipte vormen die afkomstig lijken te zijn uit een andere schildering, en een verdwaalde foto.

Mooi geschilderd is het evenmin. Grigorescu werkt in een sleetse, sociaal realistische stijl en zijn mensen en dieren zijn óf monstrueus, óf deerniswekkend in al hun onhandigheid en gelatenheid. En tenslotte heeft de voorstelling wel met Roemenië te maken, het paleis van Ceaucescu is onmiddellijk herkenbaar, maar met Europa zo te zien niets. Als hier al gezongen wordt, zoals de romantische titel van de tentoonstelling, "Wanderlieder', suggereert, dan is het wel heel haperend, en het lied is treurig en zonder hoop.

Toch is dit werk het hoogtepunt op de expositie. Het oefent een raadselachtige aantrekkingskracht uit. Onderaan schilderde Grigorescu op zwart asfalt twee geüniformeerde, gelaarsde bewakers met twee parende honden en naakte mannen; ernaast, op ware grootte, een gevangenisdeur. Dit donkere, onderste deel van de compositie verbeeldt een soort inferno. Maar symboliseert het majestueuze paleis van Ceaucescu dat bovenaan zweeft dan de hemel, het gouden Jeruzalem? Dat zou wel heel wrang zijn.

Oprechtheid

Zijn werk in het Stedelijk heeft twee thema's, zegt Grigorescu: de geschiedenis van het communisme in zijn land, en, in zijn woorden, "l'esprit de l'église', die voor hem vooral te maken heeft met oprechtheid. Het tegendeel van oprechtheid verbeeldde hij door middel van de scène van het verraad van Judas in de hof van Gethsemane.

Grigorescu is 47 jaar, maar ziet er ouder uit. Hij is even oud als de partij, zegt hij. De foto in zijn wandcollage nam hij door het raam van het kleine kamertje dat hij zijn atelier noemt. Op een heuvel verrijst het spookpaleis van Ceaucescu; ervoor gaapt een lege vlakte waar, nog niet zo heel lang geleden, de laatste resten van het oude Boekarest stonden. Van dag tot dag zag Grigorescu de voortschrijdende vernietiging van de eeuwenoude huizen en een klooster, om plaats te maken voor het paleis. Soms slaagde hij erin iets uit de ruïnes te redden, bijvoorbeeld resten van schilderingen of delen van een harmonium. Nu staan er, vertelt hij, op de vlakte grote ministeriegebouwen die allemaal verlaten zijn.

Grigorescu voelt zich diep medeplichtig aan het regime van de dictator. Hij verzette zich immers niet, hij heeft toegekeken, alsof het een soort film was. Zelfs schilderde hij in opdracht een portret van Ceaucescu, zoals er tienduizenden portretten geschilderd zijn. Alleen werd Grigorescu's portret niet door de partijleiding geaccepteerd, er leek iets van kritiek op de almacht van de leider in door te schemeren. De mensen die Grigorescu schilderde in het Stedelijk Museum zijn precies als hij: gelaten, willoos bijna. Mannen en jonge vrouwen zijn er niet bij, die zijn gesneuveld of geëmigreerd. Voor hemzelf kwam de "bevrijding' te laat, hij vindt zichzelf te oud om opnieuw te beginnen, en hij wil in zijn land blijven, ook nu er eigenlijk vrijwel niets veranderd lijkt te zijn, om te proberen te begrijpen hoe het allemaal kon gebeuren. Hij beschouwt zijn leven, beladen door schuld, als een afwachten. Een afwachten tot de kinderen van nu zijn opgegroeid.

Wanneer ik zeg dat zijn bijdrage aan de Europese gedachte bijna ondraaglijk somber is, zonder enige verwachting, antwoordt Grigorescu: “Ja. Maar kijk eens naar het werk van Slovenië en Polen hier in het museum, waar klinkt daar iets door van een toekomstverwachting? Er is alleen de last van het verleden. Eigenlijk bespeur je nergens op de tentoonstelling iets van verwachting over de eenwording van Europa.”

Verhalend

Hij heeft gelijk: het ziet ernaar uit dat Beeren alleen staat met zijn Europa-gedachte, met uitzondering misschien van de beurtelings in India, New York en Italië wonende Francesco Clemente. Het doel was om een verhalende, "epische' expositie te maken waarbij de kunstenaars “ons verhalen zouden vertellen”, zoals vroeger de rondtrekkende ambachtslieden dat deden. Beeren koos zowel zeer bekende als geheel onbekende "ambachtslieden' uit. Hij verzocht hen om “te reflecteren op de sociaalculturele omstandigheden in hun eigen leefomgeving”, bezien in het licht van Europa. De resultaten zouden samen een "promenade' moeten vormen langs verschillende culturele identiteiten.

Wat dat laatste betreft: de verschillen tussen de Oosteuropese en de Westeuropese kunstenaars vallen meteen op. De eersten wierpen zich met overgave op hun opdracht. "Irwin' bijvoorbeeld, vertegenwoordiger van het collectief "Neue Slowenische Kunst' maakte een wandinstallatie die een uitdrukking is van zijn zoektocht naar de wortels van het Sloveense volk. Om een deur met matglazen ruiten bevestigde hij borden die, net als het prototype van de deur, afkomstig zijn van officiële gebouwen van de communistische partij.

Ook de Poolse Zofia Kulik wordt zo geabsorbeerd door de problemen van het dagelijks leven in Polen dat "Europa' heel ver op de achtergrond is. Haar thema is de ondergeschiktheid van het individu. Zij ontwerpt grote, door de Assyrische en Perzische kunst beïnvloede, symmetrische patronen die zij, in haar woorden, "vult met haar waanzin'. Haar werk is qua sfeer en stijl de tegenpool van het reusachtige barokke altaar dat de Tsjech Martin Mainer schilderde op platen triplex. Het is een virtuoos geschilderde, ijle verschijning, een zinsbegoocheling die ieder moment zou kunnen opgaan in het niets.

Afgaande op wat deze tentoonstelling laat zien heeft de Rus Ilya Kabakov gelijk. Hij zei mij dat de kunst uit Oost-Europa verhalender is, maar vooral ook warmer, menselijker, minder abstract dan de kunst uit West-Europa. De schildering van Grigorescu is hiervan wel het mooiste voorbeeld. Kabakovs eigen werk, dat hij ooit omschreef als "archeologie van het Sovjet-leven', heeft een sterk conceptuele inslag, zoals ook nu weer te zien is; reden misschien waarom hij in het Westen zo wordt gewaardeerd.

Het Niets

Hoe zit het met de bijdragen uit West-Europa aan "Wanderlieder'? De deelnemende kunstenaars hebben vrijwel allemaal bestaande werken ingezonden. Alleen Jan Fabre creëerde ter plekke een grote blauwe wand die "het Niets' verbeeldt. Clemente zou in zijn schilderijen op papier, die de "Vijf Zintuigen' symboliseren, een "samensmelting bereiken van verschillende culturen' (catalogus) omdat hij zijn eigen manier van schilderen combineert met die van Tamil "billboard-schilders' uit de omgeving van Madras. In het beeld van Ger van Elk zou een mensenmassa een wandeling maken door een "Euroscape', een Europees landschap. Ze zitten geperst tussen zware planken van een beukenboom, die naar de milieuproblematiek zou verwijzen. Dit zijn interpretaties die ik niet van het beeld af kan lezen. En als van Elk begaan is met het milieu, had hij die boom dan niet beter kunnen laten staan? Het gaat mij ook te ver om het werk van Gilbert & George te duiden als uiting van sociale bewogenheid en van een Europees bewustzijn. Een titel als "One World' klinkt fraai en hun pose is weliswaar strijdlustig, maar zij blijven onmenselijke marionetten waar een ironiserende werking vanuit gaat die iedere diepere betekenis bij voorbaat ontkracht.

De kunst uit West-Europa is op zichzelf betrokken, op haar eigen geschiedenis en haar eigen formele problemen. Deze kunst is in "Wanderlieder' dan ook in een valse context geplaatst. Wat eerst doorging voor louter conceptueel, bijvoorbeeld de tekstkunst van Lawrence Weiner, moet nu opeens de drager zijn van een sociale boodschap. Dit duidt op een opportunistische houding, ook van de kant van de kunstenaars, een houding die moeilijk verenigbaar is met de ethische uitgangspunten van "Wanderlieder'. Dit is voor de Westeuropese deelnemers waarschijnlijk gewoon de zoveelste tentoonstelling op een plek die niet misstaat in hun curriculum.

Ik betwijfel ook zeer of de opdrachtsituatie zoals Beeren die voor ogen had wel een goed idee was. Enkele decennia terug werkte het mischien wel, toen kunstenaars performend en experimenterend, op losse schroeven zogezegd, van de ene tentoonstellingsruimte naar de andere trokken. Maar tegenwoordig zijn beeldende kunstenaars eerder handelsreizigers met een vast marktprodukt dan zingende "Wanderer'.