Een heilige voor intellectuelen; San Juan de la Cruz, de eerste der ongeschoeiden

In het najaar van 1591 sleepte de gewonde karmeliet Juan de la Cruz zich van Peñuela naar Ubeda, in het noordoosten van Andalusië. Enige tijd later, in de nacht van 13 op 14 december, overleed hij daar. San Juan de la Cruz wordt nu gezien als de grootste Spaanstalige, mystieke dichter. Zijn overlijden is aanleiding voor diverse herdenkingen in Spanje. Ook in Nederland gaat vandaag een aan de heilige dichter gewijde expositie open en verschijnt een nieuwe vertaling van zijn poëzie.

Expositie: Fuente, Juan de la Cruz (1591-1991). T-m 13 jan. Nieuwe Kerk, Amsterdam.

1.

Het graf is leeg. Er ligt niemand in. Broeder Juan Carlos vertelt het bijna opgetogen. We staan bij de tombe, of beter gezegd: bij de lege huls die het graf is van de heilige Jan van het Kruis, die een paar meter hiervandaan zijn laatste adem uitblies, in de nacht van 13 op 14 december 1591. Dat is morgen precies vierhonderd jaar geleden. Zijn hoofd en zijn romp liggen in het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten in Segovia, zijn ledematen zijn als relikwieën over heel Spanje verspreid. Hier in Ubeda, waar hij is doodgepest, heeft men een stuk been en twee vingers in de wacht gesleept. Maar in de kapel ligt die gave huls in de vorm van een kleine monnik van steen met tamelijk grote voeten en een gelukzalige uitdrukking op zijn gezicht. Een beeld waar niets aan mankeert.

Broeder Juan Carlos is niet de aangewezen persoon om uit te leggen waarom San Juan door geleerden en poëzieminnaars van over de hele wereld als de grootste mystieke dichter van Spanje wordt beschouwd (en door geleerden en poëzieminnaars uit Spanje als de grootste mystieke dichter van de hele wereld). Hij is pas negentien. Toen hij twee jaar geleden besloot om in de orde in te treden kende hij de gedichten van de eerste ongeschoeide karmeliet niet eens. De paters in zijn dorp waren aardige mensen en hij ziet wel iets in een leven van contemplatie, al lijkt het hem ook niet gek als men hem binnenkort naar Latijns-Amerika zendt. Vanochtend heeft hij van negen tot elf les over de heilige gehad. Daarna gaan drie van de vier novicen gewoonlijk het klooster schoonmaken, terwijl ééntje zich beschikbaar houdt om bezoekers door de kapel en het museum te gidsen. Vandaag heeft hij geluk gehad.

Broeder Juan Carlos toont het altaar, dat van na de oorlog is omdat de republikeinen het heiligdom in 1936 hebben geplunderd en vernield. Hij laat het familiewapen van de heilige zien, dat nep moet zijn omdat San Juan niet van adel was. Hij wijst op de portretten, die stuk voor stuk kopieën zijn omdat ze in het alleen voor monniken toegankelijke deel van verschillende kloosters hangen. Hij presenteert de nagebouwde cel, waarin een etalagepop bij het licht van een elektrische kaars op rustieke wijze aan het dichten is. En tenslotte gaat hij voor naar de plek waar de heilige gestorven is. Destijds was het de kleinste en meest naargeestige cel van het klooster. Maar na de zaligverklaring is deze vleugel van het gebouw met de grond gelijk gemaakt en vervangen door de huidige kapel, die in het koor, op de eerste verdieping, de historische plek herbergt. Niets is er authentiek.

2.

Ubeda, waar de heilige in het najaar van 1591 doodziek arriveerde, is een kleine stad vol authentieke monumenten in het noordoosten van Andalusië. De Romeinen noemden het Betula, de Arabieren Ubbadat-al Arab, maar de gebouwen die het nog steeds bezienswaardig maken zijn zonder uitzondering uit de late middeleeuwen en de gouden eeuw: de kerken van El Salvador, Santa Maria en San Pablo, het stadhuis en het hospitaal van Santiago. Twee sterren in de groene gids van Michelin en dus de omweg waard.

Ook het landschap rond de stad heeft iets middeleeuws: heuvelachtig, bedekt met dennebossen, velden en olijfboomgaarden; geel, grijs en groen; voorzien van kleine riviertjes die traag door een brede bedding kruipen en smalle wegen waarlangs schaapherders hun kudde voortdrijven; doorschoten met bergketens van grijze steen die al vroeg de eerste sneeuw verzamelen; en vooral heel erg leeg. Het is het soort landschap dat Bosch en Patinir schilderden en waaraan San Juan gedacht moet hebben toen hij zijn Cantico Espiritual ("Geestelijk Hooglied') schreef. Het lange gedicht staat vol met "struiken en bossen, geplant door de handen van de geliefde', "bergen en eenzame, schaduwrijke dalen' en is dooraderd met "zuivere wateren' die uit "kristalheldere bronnen' ontspringen. San Juan schreef het, toen hij negen maanden opgesloten zat in het berghok van een klooster in Toledo, vrijwel zonder daglicht en dus ook zonder uitzicht op de omringende natuur, als gevangene van zijn eigen karmelieter orde. Want naar onze maatstaven heeft hij weinig plezier van zijn roeping gehad.

In sommige van de honderden wetenschappelijke artikelen die ter gelegenheid van zijn vierhonderdste sterfdag zijn verschenen wordt betreurd dat er geen verantwoorde biografie van de heilige bestaat. De vraag is, of daarvoor wel voldoende degelijk materiaal voorhanden is. Bijna alle bezwaren die tegen zijn levenswandel zijn opgetekend werden vernietigd toen, drieëntwintig jaar na zijn dood, het proces van zaligverklaring begon en wat er wellicht nog restte moet zich in de archieven van de Inquisitie hebben bevonden, die in de vorige eeuw verloren zijn gegaan. Een deel van de getuigenissen in zijn voordeel heeft hij op zijn sterfbed nog laten verbranden. Wat er later is opgetekend, had als doel de zaligverklaring te bevorderen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de berichten over door hem verrichte of met hem in verband gebrachte wonderen: het bezweren van onweer, de levitatie in momenten van extase ("hoppen'?), de verrukkelijke geur die zijn lijk verspreidde. Zelf schijnt hij zeer sceptisch tegenover wonderen te hebben gestaan.

Het gemis van een wetenschappelijke biografie is intussen een zegen voor de creativiteit. Tot op de dag van vandaag verschijnen er nieuwe levensbeschrijvingen van auteurs die de meest uiteenlopende bedoelingen met hun hoofdpersoon blijken te hebben. Conservatieve en vooruitstrevende geestelijken, atheïstische dichters en ondichterlijke tekstwetenschappers, feministen en bevorderaars van regionaal nationalisme, theologen en beeldende kunstenaars, natuurbeschermers en monumentenzorgers, politici van links en rechts - ze maken ieder hun eigen keuze uit de bekende feiten en de verhalen die eromheen zijn aangekoekt.

3.

Over San Juan de la Cruz staat eigenlijk alleen het volgende vast, en dan nog slechts bij benadering. Hij werd in 1542 geboren in het dorp Fontiveros, ten noorden van Avila, als jongste zoon van Gonzalo de Yepes, een arme wever die korte tijd later overleed. Zijn moeder verhuisde naar Medina del Campo, een stad waar althans enigszins voor de armen en behoeftigen werd gezorgd. Zij leefde van de bedelarij, haar zoontje bezocht een armenschool. Nadat zijn ongeschiktheid voor enig handwerk was gebleken, werd hij tewerkgesteld in een hospitaal voor syfilislijders. Tegelijkertijd kreeg hij echter de kans om Latijn te studeren in het college dat de Jezuïeten kort tevoren in Medina hadden gesticht. Hij besloot priester te worden, maar geen Jezuïet. Hij studeerde vier jaar theologie aan de universiteit van Salamanca en keerde terug naar Medina del Campo om er zijn eerste mis op te dragen. Daar ontmoette hij Theresa van Avila.

De later tot patrones van Spanje uitgeroepen Theresa moet een merkwaardig mens zijn geweest. In haar nog altijd heel leesbare autobiografie - er is een editie in de reeks Penguin Classics - beschrijft ze haar ontwikkeling van zelfingenomen meisje uit een gegoede (en van oorsprong joodse) familie, via soms niet helemaal van hysterie te onderscheiden openbaringen tot een zelfbewuste, gelovige dame. Als middel om nader tot God te komen, prijst ze het bekijken van schilderijen en het lezen van boeken aan. Ze liep al tegen de vijftig toen haar aanzien zo groot was geworden dat ze een hervorming in haar kloosterorde begon, die iets moest terugbrengen van de sobere, op meditatie gerichte levenswijze van de oorspronkelijke karmelieten. De bewoonsters van de door haar gestichte kloosters noemden zichzelf Carmelitas descalzas, ongeschoeide karmelitessen. Ze droegen sandalen. Maar ondanks haar pleidooi voor strengere regels, was Theresa soepel in het handhaven daarvan. Er mocht best eens een uitzondering op het vasten worden gemaakt en tot op hoge leeftijd kon ze zo gegrepen worden door een nieuwe ontmoeting dat haar gevoelens nauwelijks anders dan als verliefdheid omschreven kunnen worden. In het geval van de 25-jarige Juan - zeer klein, vroeg kaal en verlegen - was daarvan overigens geen sprake. In haar brieven noemt ze hem naderhand "volmaakt', maar ze schrijft ook dat ze zich aan hem ergerde. Toch wierf ze hem als eerste lid voor de mannelijke tak van haar ongeschoeide orde.

Ook de ongeschoeide paters breiden zich rap uit, met steun van Filips II maar tegengewerkt door hun broeders die gewoon van schoeisel en andere comfortabele zaken willen blijven genieten. In 1577 wordt Juan door hen gevangen genomen en geblinddoekt naar een karmelieterklooster in Toledo gebracht waar hij negen maanden zonder zich te mogen verschonen in een hok zit, met een lichtspleet van slechts drie vingers breed. Hij bedenkt er zijn eerste gedichten. Volgens een romantisch verhaal nadat hij buiten op straat een jongen hoort die een liefdesliedje zingt: “Ik sterf van liefde, liefste. Wat moet ik doen? Sterven!” Ook de gevangen monnik sterft van liefde, maar in zijn geval is dat natuurlijk de liefde tot God. Hij ontsnapt naar Andalusië, waar hij meer gedichten schrijft: De nacht der ziel, Levende vlam van de liefde en een verloren gegaan werk met de mooie titel Eigenschappen van de eenzame vogel zijn de belangrijkste.

Juan bekleedt vanaf 1578 een hele reeks hoge functies in de orde, die in 1588 door Rome zelfstandig wordt verklaard. Op dat moment is de stichteres, Theresa, echter al acht jaar dood en is er onder haar volgelingen een nieuwe broederstrijd ontbrand, die weer gaat tussen rekkelijken en preciezen. Juan hoort tot de eerste groep, maar delft het onderspit en is in het laatste jaar van zijn leven een verstotene die opnieuw de gevangenis moet vrezen en de eenzaamheid heeft gezocht in Peñuela, een primitief klooster bij de grens met Castilië, daar waar nu de nederzetting La Carolina ligt. Ieder ander zou in zijn plaats verbitterd en terneergeslagen zijn, maar een heilige in spe is uiteraard verheugd wanneer de Heer hem zo ongenadig kastijdt. Wanneer hij dan ook medische hulp moet zoeken voor een ontsteking aan zijn been, reist hij niet naar het universiteitsstadje Baeza, waar hij zelf een college heeft gesticht en nog steeds geliefd is, maar naar Ubeda, dat iets verder weg ligt en waar één van zijn vijanden prior is. Hij krijgt er het ongerieflijkste onderkomen, zijn kwaal wordt met gloeiende tangen en messen (verkeerd) behandeld en dagelijks komt de prior op de rand van zijn bed zitten om hem verwijten te maken over het werk dat zijn ziekte oplevert en het voedsel dat hij de gemeenschap kost. Even nadat het twaalf uur heeft geslagen in de nacht van 13 op 14 december geeft hij de geest.

Gerald Brenan, auteur van o.m. The Spanish Labyrinth en South from Granada, heeft een biografie van San Juan geschreven, die zeker niet de slechtste is. Anders dan zijn vrienden en tijdgenoten Vita Sackville West en Evelyn Waugh (die heiligenlevens van respectievelijk Theresa en Edmund Campion publiceerden) werd hij daarbij niet gedreven door katholiek plichtsbesef, maar door interesse voor de poëzie. En vermoedelijk ook voor de Boschiaanse kanten van het verhaal, want de uren na Juan's dood beschrijft hij aldus: “Nauwelijks had zijn hart opgehouden te kloppen of er verzamelde zich, hoewel het al voorbij middernacht was, de kou zich deed voelen en het hard regende, een grote menigte op straat en drong het klooster binnen. Ze persten zich in het vertrek waar hij lag en knielden neer om zijn handen en voeten te kussen. Ze scheurden stukken van zijn kleren en verband af en rukten de lakens af die doordrenkt waren met pus en over zijn wonden hadden gelegen. Een van hen beet een teen af; anderen knipten plukken van zijn haar of stukken van zijn nagels en als zij hadden gekund zouden zij stukken uit zijn vlees hebben gesneden. Toen hij de volgende dag werd begraven herhaalden zich deze scènes.” (Vert. Jan Peters OCD, uit: Sint-Jan van het Kruis, uitg. Gooi & Sticht, 1988)

4.

Hoewel het voorgaande anders doet vermoeden, is San Juan nooit een geliefde heilige geworden. Een van de beste bewijzen daarvoor levert de banketbakkerij. In Spanje heeft Theresa haar geconfijte eierdooiers, Isidro zijn oliebollen, Clara haar geglazuurde broodjes, Jacobus zijn cake en vrijwel iedere plaatselijke patroonheilige zijn bonbons of koekjes, maar geen enkele patissier in Ubeda is op de gedachte gekomen om beentjes van marsepein of zoete-tenen-van-Sint-Jan in de handel te brengen. De herdenking blijft er in hoofdzaak tot lezingen en exposities beperkt.

“San Juan is een heilige voor intellectuelen”, geeft broeder Francisco-Victor Lopez toe. “Hij is niet zoet, hij vertegenwoordigt een streng theologisch systeem.” Het is avond en koud in de ontvangstkamer van het klooster. De geestelijke houdt zijn leren jack dus maar aan en adviseert het bezoek om het tafelkleed goed over de benen te trekken, want daaronder heeft hij een stoofje neergezet. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie lijden de ongeschoeide karmelieten niet zo heel veel ontberingen meer. Ze dragen zelfs schoenen.

Broeder Francisco is een specialist die in Rome gepromoveerd is op San Juan en ten behoeve van de herdenking in Ubeda is gestationeerd. Hij is niet alleen de leermeester van de jonge Juan Carlos, maar begeleidt ook de theologische congressen en de hoogmissen die deze maand om beurten door de bisschoppen van Andalusië worden gecelebreerd. Hij heeft uiteraard de doctoraalthesis gelezen die Karol Wojtila ooit over San Juan schreef, maar acht die nauwelijks de moeite waard, want onorigineel en bovendien gebaseerd op verouderde denkbeelden. “Hij was toen natuurlijk nog geen paus”, voegt hij er haastig aan toe. Zuchtend bekent hij, dat de karmelieter orde tot op de dag van vandaag wordt geplaagd door dezelfde twisten als in de zestiende eeuw. Nu is het een groep zusters in Catalonië die onder invloed van de lekenorganisatie Opus Dei in opstand is gekomen tegen het huidige lakse regime. En natuurlijk zeggen zij daarbij door Santa Theresa en San Juan te zijn geïnspireerd.

Broeder Francisco ziet de zaken zelf veel ruimhartiger in. Hij is van een generatie kloosterlingen die denkt dat de goedmoedigheid van de stichteres tot dusver nooit echt een kans heeft gekregen omdat de kerk nu eenmaal een mannenwereld is - en mannen houden van discipline en gezag. Hij gelooft niet in het beeld dat de hagiografieën van San Juan hebben geschapen, omdat het veel te goed beantwoordt aan de wensen die de kerk eeuwenlang ten aanzien van haar heiligen had. Ze moesten mooi, rijk en geliefd zijn, om daarna al die dingen te kunnen verzaken. Toch heeft hij er geen bezwaar tegen dat zoveel onbetrouwbare verhalen door zijn eigen museum worden geïllustreerd. “Alle afbeeldingen zijn goed, als ze aanzetten tot denken.”

Het omgekeerde lijkt ook waar, want bij de wereldlijke herdenking van de vierhonderdste sterfdag valt vooral op hoeveel beeldende kunstenaars door de gedichten van San Juan blijken te zijn geïnspireerd. Dal schilderde al lang geleden een variant op de enige tekening die van San Juan's eigen hand bewaard is gebleven: een bovenaanzicht van Christus aan het Kruis. Eduardo Chillida en Antoni Tàpies ontwierpen de officiële vignetten voor het San Juan-jaar, Antonio Saura maakte nieuwe illustraties bij een boekuitgave en Miguel Barceló trok zich terug in Mali met de gedichten en zegt dat zijn complete produktie van het afgelopen jaar in het teken daarvan staat. Samen met zijn collega's Broto en Sicilia houdt hij een grote San Juan-expositie in Sevilla, die volgende week opengaat. Een Spaanse schilder telde de laatste tijd nauwelijks mee als hij niet iets met mystieke poëzie had gedaan.

Kan dat allemaal zomaar? Zou de heilige zich niet omdraaien in zijn graf, of in al zijn graven, wanneer hij zou weten hoe zijn werk tegenwoordig wordt geïnterpreteerd? Broeder Francisco denkt van niet. “Alle interpretaties zijn goed. Zo heb ik er ook geen moeite mee als men hem alleen op zijn literaire merites wil beschouwen.”

5.

De kloosterling bevindt zich met deze laatste opvatting in goed, of althans deskundig gezelschap. Kees Fens betoogde een paar weken geleden in de Volkskrant dat de poëzie van San Juan los van ieder commentaar moet worden gelezen, ook van het commentaar van de dichter zelf. Daar is iets voor te zeggen, te meer daar San Juan zelf in zijn uitgebreide toelichting op de amper duizend strofen die hij bij elkaar dichtte ook al aangeeft dat zijn verklaring niet compleet is, aangezien zijn poëzie "over alles' gaat. Het doet inderdaad schade aan het vers, en het verduidelijkt niet veel, wanneer je leest dat de bergen en valleien in het Cantico gezien moeten worden als symbolen voor de hogere en lagere deugden.

Maar betekent dat ook, dat de gedichten helemaal los mogen worden gezien van de theologische bedoelingen van hun maker, omdat hij nu eenmaal omwegen bewandelt die ook anders kunnen worden geïnterpreteerd? Dat de natuurbeschrijvingen gelezen mogen worden als niet meer dan natuurbeschrijvingen en de traditionele liefdespoëzie waarvan hij gebruik maakte, en waaruit hij af en toe zelfs regelrecht citeerde, gewoon als niet onaardige liefdespoëzie? Juan wilde geen dichter, maar heilige worden.

T.S. Eliot liet in "East Coker' door het overnemen van een aantal regels zien, dat San Juans werk in een goede vertaling op zichzelf niets ouderwets hoeft te hebben. Zijn citaat werkt echter alleen maar, omdat de bedoelingen van beide dichters elkaar niet veel ontliepen. Maar hoe zit dat met al die schilders en andere hedendaagse liefhebbers? (De filmer Pedro Almodovár liet onlangs ook weten dat hij dòl is op Sint Jan van het Kruis.) Bekijken ze de teksten van San Juan met opzet door mistige ogen van onwetendheid? Hebben ze hem vóór gebruik gezuiverd van aanstootgevene godsdienstige elementen? Is hij een soort New Age Music bij hun eigen vrijblijvendheid? De op dit moment in Nederland verkrijgbare vertaling van P.N. van Eyck doet helaas wel heel archaïsch aan, met woorden als "bronwel' voor fuente en "uchtend' voor mañana, maar er is een nieuwe van H.C. ten Berge op komst. Als die het origineel in klank en ritme en rijkdom van beelden benadert, levert dat vast wel iets aardigs op. Ik kan me alleen niet voorstellen dat het ook "grote poëzie' wordt in een seculiere interpretatie. Nog afgezien van de vraag of we het omgekeerde - wereldse poëzie theologisch geduid - wel zo makkelijk zouden accepteren, wordt er dan een dimensie aan het werk ontnomen. Er wordt iets weggepoetst. Het krijgt iets plats. Het wordt net zo plat als de levensbeschrijvingen waarin hij wordt voorgesteld als humanist naar twintigste-eeuws model en waarin men dus nalaat te vermelden dat hij er de voor ons toch tamelijk onbegrijpelijke gewoonte op na hield spijkers in zijn vlees te laten groeien om in een staat van nog grotere onthechting te raken. Aan de andere kant: leven en werk laten nu eenmaal zoveel te raden over, dat je er inderdaad verschillende kanten mee uitkunt. Hij zou niet de enige zijn die zijn aanhoudende actualiteit dankt aan zijn lege graf.

6.

Een dag na mijn bezoek aan klooster en museum begint in het Hospitaal van Santiago, dat tegenwoordig een cultureel centrum is, een door de gemeente Ubeda georganiseerd congres van historici en tekstgeleerden over de gevierde sint. Er wordt veel in contexten geplaatst en vooral veel bekende tekst herhaald. Na een uur of drie houd ik het voor gezien. Wanneer ik 's middags van Ubeda terug naar het noorden rijd, houd ik even stil bij de langgerekte brug over de Guadalimar waar de heilige tijdens zijn laatste tocht, in september 1591, moest rusten. Hij was zo uitgeput, dat hij het meegebrachte eten niet wilde aanraken. Zijn metgezel vroeg of er misschien iets was, waar hij wél trek in had. “Asperges”, fluisterde San Juan. En hoewel het niet bepaald het seizoen was, lag op een muurtje plotseling een keurig bosje asperges klaar. De heilige wilde van geen mirakel weten, maar stond erop om vier maravedi's als betaling achter te laten. Bijna overbodig te vermelden, dat niettemin geen enkele conservenfabrikant de delicatesse tegenwoordig onder de merknaam "San Juan' in de handel brengt.

Pas wanneer ik ook de brug al ver achter me heb gelaten, begin ik me ernstig af te vragen hoe de dichter met zijn zwerende been er eigenlijk in geslaagd is de vijfenvijftig kilometer van Peñuela naar Ubeda te lopen. De geleerden in de stad hadden me wellicht kunnen vertellen of hij soms een muilezeltje tot zijn beschikking had. Maar ik voel er niets voor om voor deze informatie terug te gaan. Ik maak er mijn eigen wonder van.