Een denker, geen bellenblazer; Essay over de filosoof Jorge Luis Borges

Robert Lemm: De literator als filosoof. Uitg. Kok Agora, 342 blz. Prijs ƒ 59,90

In het ICA, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam zijn nu twee aan Borges gewijde tentoonstellingen te zien: Borges, dichter van ruimtes. En: A history of the electric page. Open di-za, 11-17u; do tot 21 u.

Het is vreemd gesteld met Robert Lemm, hispanist, een van de vertalers van Borges in het Nederlands. Ik bewonder zijn ijver en zijn geladen taal, of het nu gaat om zijn kritieken destijds in Vrij Nederland - waarin hij menig schrijver als warhoofd betitelde - of om zijn eigen beschouwende boeken, maar ik ben het bijna altijd met hem oneens. De sfeer van gedrevenheid, afkeuring en moralisme om zijn opvattingen neigt niet zelden naar censuur: je mag dit niet, je mag dat niet, bewijs maar eens dat je zuiver op de graat bent. Hij houdt van denken. Hij houdt niet van denken in de vorm van kunst, want kunst vindt Lemm al heel snel aanstellerij.

Lemms nieuwste studie gaat over Borges en heeft veel van een levenswerk. Voor Lemm is Borges een groot denker en de retorische aspecten die de Argentijn tot een groot schrijver maken, komen in dit boek, De literator als filosoof, stelselmatig niet ter sprake. Borges is een denker en geen kunstenaar, zo houdt Lemm ons voor, laat staan een kunstenmaker of "bellenblazer'; het woord "stijl' wekt Lemms hoon.

Er bestaat een verhaal van Cortazar, We houden zo van Glenda geheten, waarin fans van Glenda Jackson alle rolprenten die er met deze filmster bestaan opsporen en retoucheren tot ze precies beantwoorden aan hun beeld van de aanbedene. Van een soortgelijke heroïsche en fantastische taak kwijt Lemm zich in De literator als filosoof met de ondertitel Een innerlijke biografie. Hij maakt zich het hoofd van zijn geliefde Borges eigen en vertelt vervolgens wat deze bedoelde, waar hij zich heeft vergist en hoe wij hem, soms tegen de kennelijke raad van de meester in, moeten lezen.

Het verraderlijke van De literator als filosoof is dat het er heel dienstbaar uitziet. Lemm heeft in tijdsvolgorde Borges' belangrijkste filosofische invloeden gelezen en vervolgens de verwerking bij Borges vergeleken met de oorspronkelijke gedachten. “De innerlijke biografie” is de mooie maar ook pedante ondertitel. Je kunt natuurlijk nooit echt in het hoofd van een ander kijken.

Onethisch

“Borges houdt niet altijd rekening met de bedoelingen van degenen die hem fascineerden”, zegt Lemm in zijn epiloog. Hij haalt Montaigne erbij om te stellen dat "die handelwijze' onethisch is. Denkt Lemm dat Borges al die filosofen even uitputtend heeft gelezen? Is het laakbaar dat hij - wat mij waarschijnlijk lijkt - met enkele hem fascinerende ideeën uit hun werk aan de haal is gegaan, omdat die hem van pas kwamen? Borges was geen wetenschapper; laten we het daarover eens zijn. Volgens de aangehaalde definitie van Montaigne is eerder Lemms eigen handelwijze onethisch. Hij monopoliseert Borges en maakt hem er bovendien niet aantrekkelijker op.

Aan Lemms beeld van ideaal denken wordt Borges zelf regelmatig opgeofferd (“Borges overdrijft soms”). Maar Lemm monopoliseert en kapittelt niet alleen Borges; via Borges en uit diens naam - al is dat niet altijd met zoveel woorden aangegeven - uit hij ook kritiek op door Borges zeer bewonderde filosofen als Schopenhauer (“liet zich te veel door de taal meeslepen”) en vele anderen. Je weet niet of Lemm of Borges aan het woord is, maar het is Lemm. Borges heeft gezegd dat hij wilde ontroeren en vermaken, niet "overtuigen' (volgens mij stond er "overreden') maar Lemm vindt dat "bedenkelijk' - een schrijver moet willen overtuigen - en heeft deze uitlating voor je het in de gaten hebt in het omgekeerde uitgelegd.

Ik ken alleen lezers van Borges die zijn gefascineerd door diens vermogen in klassieke en toch persoonlijke taal het archetypische te verwoorden, parallellen aan te wijzen in de op verlangens en angsten gebaseerde geschiedenis van het denken en in de daarvoor ontwikkelde metaforiek. Ze lezen hem voor zover ik weet als een schrijver en dat iedere goede schrijver ook een interessante denker is, spreekt vanzelf. Dat zegt Lemm ook op bladzijde 26, maar hij zegt het net even anders; hij zegt: “behoort filosoof te zijn”.

Terzijde

De beledigende houding van Lemm jegens andere Borges-lezers, met name de andere Nederlandse Borges-lezers, is gigantisch. Om te beginnen verzwijgt hij elk bestaand Nederlands essay of artikel of gezegde over Borges in zijn verantwoording en ook rept hij met geen woord van diens invloed op Nederlandse schrijvers, terwijl daar, als je over literatuur spreekt in termen van ideeëngeschiedenis, bij wijze van terzijde wel wat over te zeggen zou zijn. Waar blijven ze: Mulisch, Fens, Nooteboom, Matsier, Kellendonk, enzovoort? Voeg daarbij Lemms eigenwijsheid om de teksten uit bestaande Nederlandse vertalingen zelf opnieuw te vertalen, alsof ze niet deugen. Van Nederlanders heeft hij geen hoge pet op.

In het boek komen verregaande staaltjes van wishful thinking voor. Neem Joyce: in al zijn essays, onder meer een paar keer in De cultus van het boek, noemt Borges Joyce een van de allergrootsten onder de schrijvers, naast Homerus, Dante, Cervantes, Quevedo, Kafka. Inderdaad heeft Borges ook de roman als genre in onze tijd afgezworen, de stream of consciousness ordeloos en vervelend genoemd en de op het individuele toegespitste psychologie (Freud) als minder interessant dan het archetypisch denken (Jung) bestempeld, en wie weet noemt hij een enkele keer in dit verband Joyce, maar zijn bewondering voor Joyce staat vast. Tien jaar geleden, bij de grote Joyce-herdenking in Dublin, was Borges erbij en vast niet onder dwang. Hij was toen al ver in de tachtig. Joyce was geen zonde uit de tijd van zijn eigen kortstondige flirt met symbolisme, surrealisme, ultraïsme. Maar in de ogen van de Borges zoals Lemm hem heeft gewrocht is Joyce suspect, ook in moreel opzicht.

Proust is een ander voorbeeld. Ik vond het ooit heel aardig eens iets lelijks over de heilige Proust te lezen, inderdaad, bij Borges, maar om Borges nu voor te stellen als een groot Proustbestrijder voert te ver. Borges noemt trouwens zelden namen in negatieve zin, wel vele in positieve zin. Proust hoort daar niet bij en dat kan iedereen begrijpen die Borges' voorkeur kent voor het metafysische, archetypische, idealistische, platonistische boven het realistische en psychologische. “Hij vond niet dat het een schrijver vrij stond om met woorden te spelen”, schrijft Lemm. En Quevedo's vernuftigheden dan? Borges was er gek op. Borges is luchtiger en vrijdenkender dan Lemm wil zien. Hij heeft zelfs de dichtkunst als pure klankschoonheid bejubeld, let wel: schoonheid zonder achterliggende idee.

Blauwdruk

Een klassieke vergissing die Lemm maakt is dat hij leven en werk van Borges door elkaar haalt. Hij ziet zijn fictie, bij Lemm dus filosofie geheten, als een blauwdruk van zijn leven en vice versa. Zo lijkt zinnelijke liefde, laat staan seks, bij Borges niet belangrijk, maar in een verhalend essay over de Divina Commedia staat een passage waarin Borges zegt dat Dante jaloers was op Paolo omdat die weliswaar in de hel zat maar zijn Francesca tenminste bij zich had. Lemm noemt die passage een vergissing van Borges. Maar hij past volmaakt bij Borges' eveneens prachtige verzuchting in een gedicht dat zijn grootste zonde is niet gelukkig te zijn geweest. Moet je daar uit opmaken dat Borges ongelukkig was? Moet je aannemen dat Borges zulke dingen bij vergissing zegt? Interessanter is te veronderstellen dat hij zoiets niet bij vergissing maar heel bewust schreef omdat hij in zijn scepticisme ook de betrekkelijkheid van scepsis nu en dan wilde benadrukken. Hij vond daar herhaaldelijk een prachtige vorm voor, waarvan de twee bovengenoemde voorbeelden getuigen.

Lemm - denker, didacticus, geen kunstenaar - selecteert als waar en goed wat hem uitkomt en noemt onwaar en slecht wat hij niet wil zien. Dat is de truc van dit boek. De verdienste is dat de grote invloeden op het werk van Borges hier zijn gecatalogiseerd in heldere lemma-achtige paragrafen, vaak met hinderlijk commentaar, soms met aanstekelijke belangstelling, zoals voor Chesterton met zijn Father Brown, voor Berkeley ten dele, voor Unamuno, en voor minder bekenden als Mauthner en Macedonio Fernandes.

God is in Borges' werk een metafoor voor het zoeken van de mens naar een alles bestierende kracht of een algemeen plan. Dat Borges zou geloven in een plan achter de chaos, geloof ik niet. De vraag of Borges gelovig is of niet, heeft ook Lemm in tegenstelling tot elders hier gelukkig niet bevestigend beantwoord, want superieur aan alle geloof lijkt mij een van de uitspraken van de schrijver zelf, uit 1942, in het boek op bladzijde 77 geciteerd. Hij stelt vast dat de katholieken in een hiernamaals geloven, maar er niet in geïnteresseerd zijn. “Met mij”, zegt Borges, “gebeurt het omgekeerde: het interesseert me, maar ik geloof er niet in.” God, hiernamaals en hel zijn metaforen voor 's mensen zucht naar ordening en bezwering van angsten. Dat is mooi genoeg.