Dol op komkommer

Als ik een rode kat zie, moet ik altijd aan Wampie denken. Toen Wampie negentien jaar was, ging hij dood. “Huil nou maar niet,” zei de dierenarts. “Eén kattenjaar is zeven mensenjaren. Wampie is dus 133 jaar geworden. Dat is heel oud voor een kat.”

Ik wilde Wampie niet bij de dierenarts achterlaten, ik wilde hem zelf begraven. Met mijn vriend Jan ging ik naar het dierenkerkhof. De paden waren overdekt met herfstbladeren. Overal zagen we bordjes met de namen van honden en poezen en van een pony die Krieltje heette.

“Moet je nu eens zien,” zei Jan. Jan wees op een hele grote grafsteen met versieringen in de vorm van waterplanten. Op de steen stond geschreven: “Hier rusten mijn goudvis Goudje en zijn zusje Oliejasje.”

“Ik wil niet dat Wampie op zo'n raar, deftig dierenkerkhof wordt begraven,” zei ik tegen Jan. “Ik ga hem in het bos begraven. We moeten wachten tot het donker is want ik denk niet dat het mag.”

“Wampie deed zelf ook allemaal verboden dingen,” zei Jan. “Hij gebruikte de gordijnen als klimrek. Bij de buren sprong hij door het raam naar binnen om de rosbief van de keukentafel te stelen en hij maakte je 's nachts wakker als hij zin in komkommer had.”

Wampie kwam bij ons wonen toen hij zes weken was en toen was hij al dol op komkommer. Onze vorige poes, die Zwart heette, was toen net naar het platteland verhuisd. Zwart was niet helemaal zwart. Het was net of ze een zwart hansopje met een wit koltruitje en witte kniekousen had aangetrokken. Verder had ze een grote witte kin die een beetje naar voren stak. Zwart was heel mager en ze liep altijd te rennen. In de buurt dachten ze dat ik haar niet genoeg te eten gaf. Ze kreeg dus overal schoteltjes melk, plakjes worst, gekookte visjes en stukjes kip. Aan de stukjes hart die ik haar gaf, snuffelde ze alleen maar. Daarna streek ze met haar linkervoorpoot over de vloer alsof ze bezig was een vies hoopje te begraven. Zwart was geen stadspoes. Ze had er een reuze hekel aan om binnen te zitten. Op een dag vond ik vier zilvergrijze pluizebolletjes achter in de kast. Zonder dat iemand het gemerkt had, was Zwart moeder geworden. De volgende dag waren de pluizebolletjes weer verdwenen. Ik zocht het hele huis af maar ik vond de jonge poesjes nergens. Zwart had ze goed verstopt.

Op een middag begon het te onweren. Ik zag bliksemflitsen en hoorde het in de verte donderen. Toen ik de ramen wilde sluiten, zag ik Zwart ineens door de achtertuin van de buren rennen. Ze droeg een jong poesje in haar bek dat ze in zijn nekvel had gegrepen. Hiermee sprong ze op het dak van een schuurtje en van daar af maakte ze een nog grotere sprong naar mijn platje. Daarna glipte ze door het raam naar binnen waar ze het jonge poesje achterliet. En weg was ze weer. Nog voor de eerste regendruppel was gevallen, had Zwart de vier jonge poesjes veilig thuisgebracht. Zwart bleef zelf ook maar thuis, waar ze heel knorrig van werd. Ze was nu eenmaal een buitenpoes. En toen haar kinderen groot waren, is ze op een boerderij gaan wonen.

Ik miste Zwart erg en toen ik in de krant een advertentie las waarin een tehuis voor een jonge poes werd gezocht, ging ik er meteen op af. Zo kwam ik bij mevrouw Top terecht die boven haar eigen groentewinkeltje woonde.

“Ik kom voor het jonge poesje,” zei ik tegen mevrouw Top. “Bent u een hondenmens of een kattenmens?” vroeg mevrouw Top. “Dat weet ik niet zo precies. Sommige honden vind ik ook wel aardig”, antwoordde ik. “Als u geen uitgesproken kattenmens bent, krijgt u het jonge poesje niet,” zei mevrouw Top. “Ik hou ook wel van mussen, giraffen, garnalen, mollen, hommels en schildpadden,” zei ik tegen mevrouw Top. “U bent dus een dierenmens, dat verandert de zaak,” zei mevrouw Top. Tenslotte vond ze het goed dat ik Wampie mee naar huis nam.

Wampie was heel leergierig. Binnen een paar weken kon hij alle deuren openmaken, ook de ijskastdeur. We maakten er een haakje op zodat hij 's nachts niet de ijskast kon leegroven. Maar als Wampie dan ineens zin in komkommer kreeg, ging hij heel hard miauwend naast je bed staan. Op een keer zag ik Wampie naar de wc gaan om een plasje te doen. Hij stond op zijn achterpoten in de toiletpot en leunde met zijn voorpoten op de bril. Wampie was een echte klopkat. Hoe steviger hij op zijn rug werd geklopt, hoe harder zijn snormachine te keer ging. Hij begon dan kopjes te geven tegen benen, tegen tafelpoten en soms tegen de bezemsteel. Eén keer heb ik over Wampie gedroomd. Ik droomde dat hij kon praten en dat hij een hele diepe stem had. Maar wat hij zei, weet ik niet.

We hebben Wampie op een avond stiekem op een geheime plek in het bos begraven. De maan bescheen de roestbruine herfstblaadjes die dezelfde kleur hadden als Wampie's vacht. Ik weet nog precies bij welke boom het was maar dat kan ik jullie natuurlijk niet vertellen.