Dichter Leonard Nolens over het verlangen naar eeuwigheid; Wij lopen met een kerkhof op onze rug

Leonard Nolens, die vanavond in Den Haag de Jan Campertprijs ontvangt voor zijn bundel Liefdes verklaringen, neemt het dichten heel serieus. Elke dag gaat hij met de bus naar zijn werkhut buiten de stad om te dichten. “De mensen zijn minder gediend met mij op straat dan met mij hier in mijn hut.” Onlangs werd zijn poëzie verzameld in een dikke bundel.

Leonard Nolens: Hart tegen hart. Gedichten 1975- 1990. Uitg. Querido, 483 blz. Prijs ƒ 49,90

“Het zijn er natuurlijk altijd te veel,” zegt Leonard Nolens. We hebben het over de ongeveer vierhonderd gedichten uit de periode 1975-1990 die hij op verzoek van zijn uitgever bijeen heeft bracht in de bundel Hart tegen hart. “Als ik zeker wist dat ik tachtig werd, zou ik gewacht hebben tot ik 79 was, en dan zou ik waarschijnlijk veertig gedichten hebben uitgekozen die goed genoeg waren om bewaard te blijven. Maar ik weet niet of ik dat haal.” Hij aarzelt. “Je bent natuurlijk ook ijdel en ... elke dag denk ik dat ik dood ga. Ik weet dat het verkeerd is, die haast. Haast is vulgair. Maar ik heb nu eenmaal altijd het gevoel niet veel tijd meer te hebben om te doen wat ik moet doen.”

Later zegt hij: “Veertig is eigenlijk al heel veel.”

Het is een winterse zondagmiddag. De Vlaamse dichter Leonard Nolens (44) en ik zitten tegenover elkaar aan een houten tafel in de boshut waar Nolens zich elke dag probeert terug te trekken. Met behulp van twee aanmaakblokjes hebben we eindelijk de houtkachel aan het branden gekregen. Ik probeer me een voorstelling maken van het dichtersbestaan.

Op weg hiernaartoe heeft Nolens me verteld dat hij het leven leidt van een omgekeerde forens. Komen andere mensen 's morgens naar de stad om daar, in de drukte en het lawaai, hun werk te verrichten, Nolens woont in de stad en komt voor zijn werk naar het land. Iedere morgen neemt hij in Berchem, waar hij sinds kort een huis heeft, in alle vroegte de bus naar Edegem. In de boshut werkt hij dan geconcentreerd aan zijn gedichten, totdat de bus hem tegen de avond weer terugbrengt onder de mensen.

Nolens heeft de stad nodig om niet te vereenzamen, maar de stilte heeft hij nodig om te kunnen dichten. Uit zijn gedichten zou je misschien de indruk kunnen krijgen dat hij vooral een stadsmens is. “Mijn kroeg loopt leeg. De stad loopt vol.” schreef hij in 1978, “Ik zie kostuums en overalls hun huis verlaten.” Maar dat blijkt een misverstand. Nolens legt me uit dat de natuur die hij dagelijks om zich heen heeft ook heel sterk in zijn werk aanwezig is. “De natuur kan invloed op je schrijven hebben zonder dat je er rechtstreeks over schrijft. Ik probeer te schrijven zoals de natuur werkt. Ik probeer te achterhalen hoe de natuur te werk gaat om zoveel moois te produceren.”

Een misverstand is dus ook dat veel van zijn gedichten 's nachts tot stand komen. Nolens vertelt op zijn best te zijn als het ochtend is. “Ik ben op zoek naar een stilte die iets nocturns of meditatiefs heeft, maar ik schrijf alleen overdag. In mijn hele leven heb ik nog geen tien gedichten 's avonds of 's nachts geschreven.”

Praten over poëzie is voor Leonard Nolens een ernstige aangelegenheid. “'t Is pittig hè,” zegt hij op een gegeven moment, als we een paar uur over zijn werk hebben gepraat. En even later bekent hij: “Het zweet staat me in de handen.” Poëzie is voor Nolens dan ook geen bijzaak. Het is de enige vorm waarin hij denkt te kunnen te bestaan. “Ik zie mijn werk misschien heel erg absoluut, maar ik kan niet anders. Ik leef door mijn dichten iedere dag in grote onzekerheid, op het scherpst van de snee.”

Mondeling

Nolens is ook als lezer alleen genteresseerd in schrijvers wier leven staat of valt met hun schrijven. Schrijvers voor wie de literatuur iets is wat ze erbij doen interesseren hem niet. Het mondelinge contact met anderen is voor hem van weinig belang. Hij heeft nu in een interview toegestemd omdat hij bang was te veel gesoleerd te raken, maar zoiets moet wat hem betreft een uitzondering blijven. “Een paar jaar geleden had ik dit zeker nooit gedaan. Het gewone contact is vaak zo weinig substantiëel.” Nolens denkt genoeg door zijn poëzie te kunnen meedelen. “De mensen zijn minder gediend met mij op straat dan met mij hier in mijn hut.”

Dat dergelijke uitspraken misschien wat zwaar op de hand klinken, beseft hij maar het hindert hem niet. In zijn bundel Geboortebewijs (1988) die nu is herdrukt in Hart tegen hart heeft hij een gedicht opgenomen, "Paranoia', waarin hij zich verdedigt tegen het vaak gehoorde verwijt pathetisch te klinken. Het begint met de regels:

Ze zeggen dat dichters hun tong in

bedwang moeten houden.

Zij, dat zijn de modejournalisten die

mijn kleren kraken.

En morgen mijn ontwerpen dragen.

Dat zijn die keukenmeesters

Die souperen van mijn vlees en in

mijn pannen spuwen.

Dat zijn die onkruidverdelgers en

dode dokters van de poëzie.

Maar wie heeft de naakten gekleed,

de hongerigen gespijsd?

Nolens wilde, zegt hij, in dit gedicht aangeven dat hij nu eenmaal is die hij is en dat hij niet anders kan schrijven dan hij schrijft. In een volgende strofe schrijft hij:

Nee, mijn door de wol geverfde tong

van jullie is ook van mij

En wat ze doet is nu eenmaal vaak

pathetisch gedacht.

Jullie metrische colbertjes en rijm

broeken, daar pas ik voor.

Jullie zoutloze sonnettenfoto's, nee,

pardon, merci.

Wie op grond van dit gedicht zou denken dat Nolens erg zelfingenomen is vergist zich. De dichter is zelf de eerste om te erkennen dat zijn gedichten soms een verkeerde toon hebben gehad. Hij is het ook wel eens met wat er in het verleden over hem is gezegd. Als ik hem vertel dat ik net als veel andere Nederlanders zijn latere gedichten beter vind dat zijn eerdere, geeft hij me meteen gelijk. Hij vertelt eigenlijk pas heel laat de vorm te hebben gevonden die hem bevalt. In zijn eerste twee bundels, uit 1969 en 1973, schreef hij nog poëzie die erg experimenteel was. “Ik dacht dat het mogelijk was om met een nieuwe taal te komen. Met een heel nieuw alfabet, zoals Schönberg indertijd zijn twaalftoonstelsel ontwikkelde.”

Nolens verklaart dit verlangen nu uit het feit dat hij uit een muzikale familie afkomstig is. Bij hem thuis speelde iedereen wel een instrument. Daar kwam bij dat hij in die tijd in de redactie zat van een experimenteel tijdschrift, Labris. Het was een tijd waarin hij, zoals in de verantwoording bij Hart tegen hart staat, woorden had maar nog geen taal.

Franje

In zijn derde bundel begreep Nolens dat hij op de verkeerde weg was. “Ik ontdekte dat er een traditie was die ik aangereikt kreeg, en dat ik beter kon proberen daar een persoonlijk stempel op te slaan. Wij lopen rond met een kerkhof op onze rug. We zitten opgescheept met woorden die een bepaalde betekenis hebben en je kunt daarmee niet om het even wat doen. Je moet als dichter achterhalen wat de taal van de mensen is en dat is je materiaal. De omgangstaal is wat de natuur is voor een beeldend kunstenaar. Ik zag ook in dat schrijven in de eerste plaats een lineair proces is. Je werkt woord voor woord, en regel voor regel.

“Als ik nu mijn gedichten uit het begin zie, zijn ze me veel te gekunsteld. Er zit te veel franje aan. Ik was nog veel te veel op zoek naar een eigen taal. Ik wilde te veel ineens zeggen. Ook dat heeft misschien te maken met mijn muzikale achtergrond. In de muziek is het heel normaal om veel tonen tegelijk te laten klinken. Ik wilde in mijn gedichten een veelheid van stemmen laten klinken, zoals wanneer je een akkoord op de piano aanslaat.”

Zijn ware vorm vond Nolens echter, ook naar zijn eigen indruk, pas in de jaren tachtig, sinds zijn in Nederland verschenen bundels. Van doorslaggevende betekenis daarbij was volgens hem een kort verblijf in Amerika. In het najaar van 1980 was Leonard Nolens twee maanden verbonden aan een Internationaal Schrijversprogramma in Iowa City. “Toen, in Amerika, is er iets met me gebeurd. Het programma was opgezet door de Amerikaanse dichter Paul Engle die een soort internationaal vredescongres voor ogen had. Ik heb in die tijd nauwelijks geschreven, maar ik ben heel anders tegen het Nederlands aan gaan kijken. We zaten daar in een soort studentenflat met schrijvers van dertig nationaliteiten en iedereen praatte over zijn eigen taal.”

In Amerika kwam Nolens ook voor het eerst diepgaand met angelsaksische literatuur in aanraking. Hij leerde daardoor hoe de spreektaal in de literatuur kon worden gebruikt. “Tot op dat moment had ik eigenlijk alleen Frans en Duits en een klein beetje Italiaans gelezen. Dat zijn literaturen die zijn geworteld in een geschreven traditie. De Amerikaanse literatuur gaat veel meer terug op het orale.”

Voor Nolens was het als een bad. “Als ik in Duitsland of Italië kwam had ik altijd vaste grond onder mijn voeten, maar nu zat ik in een cultuur die me volledig vervreemde van mezelf. Ik had geen enkele affiniteit met de Engelse en Amerikaanse literatuur, maar vanaf dat moment ben ik veel Engels gaan lezen.”

Nolens zag zo dat hij een zekere zakelijkheid in zijn poëzie kon incorporeren, zonder die poëzie daarmee kapot te maken. “Ik zag het belang van, wie heeft dat ook al weer gezegd, "natural words in a natural order'. Voor mij was het een grote schok.”

Hoewel hij niet hoopt dat iedereen zijn werk nu voortaan in perioden gaat indelen, beseft hij dat de Amerikaanse ervaring voor hem de weg heeft geopend naar een veel toegankelijker en natuurlijker manier van schrijven. “Ik kwam in Amerika veel objectiever tegenover het Nederlands te staan. Daarvoor had ik steeds verlangd naar een soort symbiose tussen mezelf en wat ik schreef. Dat is ook typerend voor jonge mensen. Maar daar besefte ik dat je als goede minnaar een bepaalde afstand moet nemen tot wat je liefhebt. Ik merkte dat je over voldoende techniek moet beschikken om de taal zichzelf te laten zijn.”

Eeuwigheid

Bij Nolens besluit om een nieuwe richting in te slaan speelde mee dat hij er erg aan hecht om een poëzie te schijven die eeuwigheidswaarde heeft. “Een belangrijk criterium is voor mij: is het goed genoeg om op mijn graf te staan? Ik wil geen rotzooi nalaten aan mijn kinderen. Als anderen iets van je erven, moet je ervoor zorgen dat het goed is. Dat is een bijna filantropische overweging. Ik weet wat ik aan andere dichters heb gehad, er zijn enkelen die door hun werk mijn leven hebben bepaald, en mijn grote droom is dat enkele anderen op diezelfde manier met mijn werk kunnen leven.

“Ik weet nu dat je, als je erin slaagt het geheim van de omgangstaal te achterhalen, werk kunt schrijven dat blijft voortbestaan. Als je naar de taal van Achterberg kijkt, dan zie je dat ook die niet verouderd is. Je moet dus nagaan hoe je de natuurlijkheid, zoals die leeft onder de mensen, kunt incorporeren in het geschreven woord.”

Later zal Nolens het beeld gebruiken van een tekenaar. “Je bent op zoek naar versobering. Je wilt steeds minder schilderen, en steeds meer tekenen. Je wilt heldere lijnen trekken, zonder dat de complexiteit, de gelaagdheid verloren gaat. Mijn droom is dat ik wonderbaarlijke dingen kan zeggen in heel simpele taal.”

Een kenmerk dat bleef is dat de gedichten van Nolens sterk retorisch zijn. “Ik kan niet schrijven zonder iets of iemand aan te spreken. In mijn werk kom je veel persoonlijke voornaamwoorden tegen, veel ik, u, jij en wij. Ik heb wel eens geprobeerd over dingen te schrijven maar dat ging niet. Ook het woordje men, dat je veel bij Kouwenaar ziet, gebruik ik nauwelijks. De literatuur is voor mij, net als voor Barthes, de utopie van de taal. Ik zou willen schrijven zoals ik wil dat de mensen met elkaar omgaan. Het gedicht als ideaal gesprek.”

Een ander kenmerk is dat de vorm die Nolens gebruikt zeer vrij is. Wie zijn verzamelbundel doorleest, komt een bijzonder grote variëteit van lengtes en ritmes tegen. Over zijn werkwijze zegt Nolens dat de vorm voor hem altijd voortvloeit uit het gedicht. Een gedicht ontstaat bij hem steeds uit één eerste regel die geleidelijk een vervolg krijgt. “Zo'n eerste regel, die vaak ook de eerste regel van het gedicht is, "krijg' je meestal. Het is een nucleus, een paar woorden waarvan je voelt dat ze een sterk ritme hebben en voldoende beeldend vermogen, en dat ze je aan het denken zetten. In zo'n regel zit dan al de hele vorm besloten. Het is de motor van het gedicht, de drijvende kracht.”

Aan het eind van de middag als het buiten in het bos stikdonker is en we onszelf in de ramen weerspiegeld zien, wordt de sfeer in de hut onverwacht wat meer ontspannen. We praten door over de vorm van zijn gedichten en Nolens legt me uit dat deze niet bepaald wordt door het metrum, de witregels of de lengte van de zinnen. Voor de vorm, zo zegt hij, is het ritme bepalend. Hij zoekt het gedicht "Krop' op, achterin Hart tegen hart, en legt uit dat dit gedicht voornamelijk bepaald wordt door een walsritme. “Je kunt de maat slaan terwijl je het voorleest.” Hij licht toe wat hij bedoelt: “De vorm is de adem die door het gedicht heen gaat. De vorm zorgt dat het klinkt, dat het beeldend wordt, dat alle zintuigen er in aan bod komen. Wat Rimbaud noemde: une musique savante.”

En terwijl ik nog wat ongelovig in het boek zit te puzzelen om de driekwartsmaat te ontdekken, staat de dichter op van de tafel en daar danst hij, vanuit een hoek van de kamer, bij het voordragen van zijn gedicht, een wals. En ik zie dat het klopt: een twee drie, twee twee drie, drie twee drie. Ik zie wat hij bedoelt wanneer hij zegt dat het ritme tegen het metrum ingaat. “Er komt een tegenslag in het gedicht die het doet swingen.” En hij danst verder: een twee drie, twee twee drie, drie twee drie.

Ze staat bij het raam in de diepte

Te staren en wijst naar de mensen,

Ze zegt het alweer en alweer:

Het leven is niets, het is niets.