De pot schaft dubbeltjes

Dit is het eerste verhaal over meneer Geld. Je hebt vast en zeker nog nooit van hem gehoord. Ik zal hem dus eerst maar eens aan je voorstellen. Meneer Geld is een dikke man, met grijs haar. Hij weegt wel honderd kilo. Alleen zijn vrouw en zijn vrienden noemen hem Zak. Dat is zijn voornaam.

Zak Geld is marktkoopman. Hij verkoopt alles wat in zijn kraam te pas komt. Ga je op zaterdag naar de markt, dan kun je hem bijna niet missen. Een opvallende juten jas spant om zijn buik. Veel klanten heeft hij niet. Meneer Geld kijkt meestal zo droevig dat winkelende mensen liever doorlopen naar een van zijn concurrenten.

Waarom is Zak Geld bedroefd? Zelfs zijn beste vrienden weten het niet. Ik zal een geheim verklappen: meneer Geld heeft geen gevoel van eigenwaarde.

Elke avond eet hij honderd munten. Anders verliest hij zijn gewicht. 's Zondags smult hij twee grote borden met stuivers leeg. Wanneer hij bomvol stuivers zit, is hij vijf gulden waard. Maandagavond schaft de pot dubbeltjes. Na het eten voelt Zak Geld zich een tientje waard. Op dinsdag schotelt zijn vrouw hem een heerlijk maaltje kwartjes voor. Die avond stijgt zijn waarde tot vijfentwintig gulden. Woensdagavond eet hij liefst honderd guldens. Donderdags voelt hij zich pas zelfvoldaan; honderd rijksdaalders vullen zijn buik. Vrijdagavond is het feest. Dan verslindt Zak Geld honderd munten van vijf gulden.

's Zaterdags zou hij gouden tientjes moeten eten. Maar dat is te duur. Daarom eten meneer en mevrouw Geld op zaterdag "hond in de pot'. Dat vooruitzicht stemt Zak Geld heel somber. Er kan de hele dag geen lachje af. Met zijn boze gezicht jaagt hij veel klanten weg. Zo zal hij nooit genoeg verdienen om op zaterdag ooit nog eens gouden tientjes te kunnen eten. En 's zondags staan er weer stuivers op het menu.

Arme meneer Geld. Steeds spookt het door zijn hoofd dat hij op vrijdag honderd keer zoveel waard is als op zondag. Was het maar altijd vrijdag. En op zaterdag heeft hij zo'n honds leeg gevoel van binnen. Wat moet hij doen? Zijn vrouw zegt in arren moede tegen hem: Ga toch eindelijk eens naar de dokter.

(wordt vervolgd)