De mystagoog van het onderaardse; De 17de-eeuwse jezuïet en leugenaar Athanasius Kircher

Bedriegers, oplichters en flessentrekkers mogen zich in de bijzondere belangstelling van schrijvers verheugen. Hoe intellectueler de zwendelaar, des te interessanter is hij. Anton Haakman maakte in 1973 een tv-documentaire over Athanasius Kircher, een jezuïet uit de zeventiende eeuw en "een van de intellectueelste leugenaars aller tijden'. Kircher wilde de geschiedenis ingaan als de man die alles wist en liet een kolossaal "wetenschappelijk' oeuvre na over onder andere geologie, de natuurkunde van het licht, magneten, hiërogliefen en China. Onlangs publiceerde Haakman een roman over de totstandkoming van de Kircher-documentaire.

door Willem Frederik Hermans

Bedriegers, oplichters en flessentrekkers mogen zich in de bijzondere belangstelling van schrijvers verheugen. Hoe intellectueler de zwendelaar, des te interessanter is hij. Anton Haakman maakte in 1973 een tv-documentaire over Athanasius Kircher, een jezuïet uit de zeventiende eeuw en "een van de intellectueelste leugenaars aller tijden'. Kircher wilde de geschiedenis ingaan als de man die alles wist en liet een kolossaal "wetenschappelijk' oeuvre na over onder andere geologie, de natuurkunde van het licht, magneten, hiërogliefen en China. Onlangs publiceerde Haakman een roman over de totstandkoming van de Kircher- documentaire.

Anton Haakman: De onderaardse wereld van Athanasius Kircher. Uitg. Meulenhoff, 266 blz. Prijs ƒ 37,50.

Schrijvers worden over het algemeen door hun ouders niet naar school gestuurd om schrijver te worden, maar inspecteur van de Directe Belastingen, notaris of leraar handelsrekenen.

Menige schrijver die nooit bereikt heeft wat liefhebbende vader en moeder hoopten, houdt aan zijn mislukking als rijksambtenaar een trauma over, dat zelfs door zijn succes als schrijver niet geneest.

Heeft hij vader en moeder, die toch zoveel offers voor hem brachten, gruwelijk voor de gek gehouden door z'n einddiploma niet te halen, of na een conflict met ambtelijke slijmeringen en droogstoppels zijn ontslag maar in te dienen?

Geen wonder dat bedriegers, oplichters en flessentrekkers zich in de bijzondere belangstelling van schrijvers mogen verheugen.

Hoe intellectueler de zwendelaar, des te interessanter is hij.

Een van de intellectueelste leugenaars aller tijden is Athanasius Kircher die een kolossaal "wetenschappelijk' oeuvre en een aan wonderlijke voorvallen niet arme autobiografie naliet, wel te verstaan: een grotendeels pseudo-wetenschappelijk oeuvre. Wat hij niet wist, zoog hij uit zijn duim. Hij was hoogstwaarschijnlijk geen bedrieger uit winstbejag, maar uit ijdelheid: hij wilde de geschiedenis in gaan als een man die alles wist.

Als hij te kwader trouw onwaarheid sprak, onderscheidde hij dit niet van te goeder trouw gedebiteerde onwaarheden - hoe zou dat ook kunnen?

En, wat komt het er achteraf op aan? Ook de beweringen van zeventiende-eeuwse geleerden die niet logen, zijn later in negenennegentig van de honderd gevallen onwaar gebleken.

Tv-documentaire

In 1973 en '74 heeft Anton Haakman gewerkt aan een in 1974 uitgezonden tv-documentaire over Kircher.

Ik heb deze film niet gezien doordat ik toen niet woonachtig was op een plek waar Nederlandse televisie kon worden ontvangen.

Toen de uitzending dit jaar werd herhaald, verkeerde ik in dezelfde omstandigheid. Jammer. Maar Haakman heeft gelukkig nu een boek geschreven over het ontstaan van zijn Kircher-reportage. Een goed, boeiend boek dat aan een kant me enigszins schadeloos stelt voor het missen van de tv-uitzending, maar dat me anderzijds, moet ik bekennen, juist erg nieuwsgierig naar de tv-film maakt. Misschien komt het er nog eens van, dat de een of ander die er een video-opname van heeft, zo goed is mij deze te laten zien.

Zo lang dit niet gebeurt, moet ik me bepalen tot de beschouwing van het boek.

Haakman, die het graag opgevat ziet als een roman, zij het niet zonder deze aantekening: “Geen enkele gelijkenis met bestaande personen of zaken is toevallig”, zal er waarschijnlijk niet rouwig om zijn dat, voor mij tenminste, het boek op zijn eigen benen moest staan (opgelet jongens, een boek op benen; wat anders dan een boek op poten), dat het niet door de herinnering aan televisiebeelden werd ondersteund of mogelijk zelfs een klein beetje vervalst.

Wie zich voor de geest haalt dat de pater-jezuïet Kircher leefde van 1602 tot 1680, zal misschien op de gedachte komen dat Haakman's De onderaardse wereld van Athanasius Kircher een historische roman is. Hij moet zonder verwijl uit de droom geholpen worden. Het verhaal is een soort raamvertelling. Het raam speelt in onze tijd, voor zover 1973 toen de televisiefilm ontstond, nog "onze tijd' genoemd mag worden. Nee echt, geen grappen. In 1973 bestond de Duitse Demokratische Republiek nog, anders genoemd Oost-Duitsland, en toen was daar, zoals de progressieve denkers van die dagen zich nu wel niet meer zullen herinneren, "geluk heel gewoon', net als, volgens het liedje, in ons land vlak na de oorlog.

Kircher had het levenslicht gezien in Geisa. Geisa lag anno 1973 in Oost-Duitsland. Er woonde een zekere Gustav Möller, die een Kirchermuseum had ingericht waar nooit iemand kwam. Sterker: waar nooit bezoek van buiten Geisa kon komen, omdat Geisa wegens strategische redenen niet door vreemdelingen betreden mocht worden. Het was van 1949 af "Sperrgebiet'. Veertig jaar was het "Sperrgebiet' geweest, toen Haakman het in 1989 eindelijk kon bezoeken. Helaas bleek hem dat er niet veel bijzonders te beleven viel in dat Museum van Gustav Möller. Die was toen al tien jaar dood. Haakman had althans in 1979 bericht ontvangen dat Möller overleden was. Later kreeg hij reden aan de authenticiteit van deze officiële mededeling te twijfelen.

Al deze dingen zijn bij elkaar maar kleine staaltjes van de schimmige, benauwde, beangstigende schijnwereld die toch echt bestaan heeft, waarin Haakman's "roman' gedeeltelijk speelt. Dat arbeidersparadijs waar als de vreemdeling ergens wilde overnachten, hij zich ogenblikkelijk bij het plaatselijke politiebureau moest gaan melden, en waar de gestoorde telefoons niet alleen afgeluisterd werden, maar bovendien werkten op de nachtmerrieachtige wijze die de tientallen jaren eerder geschapen telefoon van Kafka's Schloss niet zou hebben kunnen overtreffen.

Toen, in 1974 leefde de grofgranieten Brezjnev nog en er ontsnapte aan de mond van een historisch-materialistische machthebber nooit een vriendelijk woord.

“Eisenach zag er ook deze keer nog uit alsof de oorlog net voorbij was”, schrijft Haakman op blz. 27 en hij heeft het daar over 1989. Die hele DDR heeft er veertig jaar uitgezien of de oorlog net voorbij was en zelfs vandaag zal dit deel van Duitsland er wel nog niet veel anders zijn gaan uitzien.

Lulofs

Met Athanasius Kircher kwam ik voor het eerst in aanraking toen ik in 1949 mijn doctoraalscriptie wijdde aan Johan Lulofs en diens tijdgenoten. Deze studie is naderhand gepubliceerd in het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (Deel LXXI, No 2, 1954). Niet dat Johan Lulofs (1711-1768), professor aan de Leidse universiteit in de wiskunde, de sterrenkunde en de wijsbegeerte, en auteur van het eerste serieuze oorspronkelijk-Nederlandse handboek van de fysische geografie, nu eigenlijk gezegd een tijdgenoot was van Kircher, al 31 jaar dood toen Lulofs werd geboren. Maar de wetenschappen ontwikkelden zich destijds nog zo traag, dat het lang duurde eer verouderde denkbeelden aan de kant werden gezet en men z'n schouders ophaalde over voorgangers die het bij het verkeerde eind hadden gehad.

Kircher, de onbegrijpelijk vruchtbare Kircher, wijdde onder andere een groot boek aan wat wij nu geologische verschijnselen zouden noemen - de term geologie werd nog maar sporadisch gebruikt in de huidige betekenis van aardkunde. Kircher's verhandeling, ontstaan nadat hij uitbarstingen van de Stromboli en de Etna had gezien, heette Mundus subterraneus. De derde druk is van 1678 (Amsterdam, twee foliodelen) en verscheen vertaald vijf jaar later, eveneens in Amsterdam, onder de titel D'Onderaardsche Weereld in XII boeken natuurkundig verhandeld.

Kircher had in zijn tijd veel succes en deze beschouwing beïnvloedde het denken van geologen en geografen jaren lang. Zijn invloed was over het algemeen funest mogen we wel zeggen, al had Kircher's volstrekt krankzinnige verklaring van de hiërogliefen een nog veel noodlottiger invloed op de egyptologen.

Enkele aardkundige denkbeelden van de vlijtige jezuïet:

Kircher, die in Calabrië een aardbeving had beleefd, verklaarde aardbevingen als een gevolg van ontploffende nitreuze dampen die zich in het binnenste van de aardbol zouden bevinden. De geluiden bij aardbevingen vernomen, deden denken aan kanongebulder, dus... Gelukkiger is zijn opmerking dat men bij een aardbeving het gevoel heeft op een weegschaal te staan. Kircher bezocht ook de Vesuvius en legde verband tussen vulkanisme en aardbevingen - een over het algemeen foute opvatting die lang stand heeft gehouden en ook nu nog wel door leken wordt aangehangen. De meeste aardbevingen ontstaan namelijk niet door vulkanische ontploffingen en gaan niet met vulkanische verschijnselen gepaard.

Erger was het dat Kircher Aristoteles bestreed die de juiste verklaring voor de oorsprong van bronnen, beken en rivieren gegeven had. Maar Kircher verdedigde het standpunt van de Bijbel, welke leert dat rivieren niet het resultaat zijn van het feit dat waterdamp vooral in het hooggebergte condenseert en dan langs de hellingen naar beneden stroomt. Volgens Kircher en talloze anderen die in de Bijbel geloofden, ontstaan rivieren enz. doordat zeewater via ondergrondse kanalen naar de bergtoppen terugstroomt. Zelfs in de achttiende eeuw was het nog een ketterij, iets anders te beweren dan dit.

Maar hoe kon water van beneden naar boven stromen?

Dát dit mogelijk was, meende Kircher te bewijzen door enkele pompachtige instrumenten te beschrijven die inderdaad water van een lager naar een hoger peil kunnen brengen. Vervolgens beweerde hij dat in onderaardse gangen de natuur soortgelijke werktuigen had geschapen, waarmee water kon worden opgepompt.

Als Kircher gelijk wilde krijgen, diensde hij voor geen fantasie, hoe dol ook, terug.

Wel slim bedacht, maar toch ook weer fout was de volgende stap in zijn redenering: onder invloed van de getijden hoopt het zeewater zich op steeds verschuivende plaatsen op en daardoor oefent het daar druk uit op de ondergrond en deze druk is het die het voor de rivieren bestemde water door de ondergrondse kanalen omhoog perst. Een en ander zou werken als een met water gevulde blaasbalg, meende Kircher.

Vulkanen waren ontstaan doordat, meende hij en talloze anderen meenden het ook, de kern van de aardbol uit een groot vuur bestond. Dit veroorzaakte niet alleen vulkanische uitbarstingen als het de bovengenoemde "nitreuze dampen' aanstak, maar het verwarmde ook het water in sommige onderaardse ruimten, en fumarolen (vulkanische gaten en spleten waaruit hete dampen ontwijken) komen daaruit voort.

Dit laatste is niet helemaal onjuist, al bevinden de "vuren' waaraan fumarolen en trouwens ook allerlei andere vulkanische verschijnselen hun ontstaan danken zich niet in het centrum van de aarde, maar in de korst als een soort met oververhit gesteente gevulde blaren. In het midden van de aardbol is de druk veel te hoog dan dat het gesteente er vloeibaar zou kunnen zijn, maar in wat ik hier blaren genoemd heb niet, zeker niet als door een opening naar buiten de druk afneemt, de gassen zich kunnen vrijmaken en de lava als een soort spuitwater van gesmolten gesteente uittreedt (en stolt in de vorm van puimsteen).

Al deze dingen wist Kircher niet, wisten de geleerden ook lang na Kircher nog niet. Dit is hun niet kwalijk te nemen. Hetzelfde kan niet van ganser harte gezegd worden over hun soms op geen enkel waargenomen feit gebaseerde fantasieën en nog minder over hun onwetenschappelijke schroom in strijd te zullen raken met de bijbelse overlevering.

In het oog van de moderne wetenschap loopt de kwaliteit van Kircher's prestaties sterk uiteen: van belachelijke kwakzalverij tot inzichten die op zekere terreinen juist zijn gebleken. Zelfs worden enkele nuttige originele uitvindingen aan hem toegeschreven.

Zo stellen sommigen (de Duitse professor Drude o.a.) de uitvinding van de kwikthermometer op rekening van Kircher.

Anderen beweren dat Fahrenheit de eerste is geweest die kwik als thermometervloeistof gebruikte (1714). In elk geval gaf Fahrenheit het instrument een wetenschappelijke basis en bedacht hij een eigen temperatuurschaal, die de Engelsen tot de huidige dag gebruiken.

Bedenkelijker is het dat vrij algemeen in encyclopedieën en dergelijke naslagwerken de uitvinding van de diaprojector (toverlantaren, laterna of lanterna magica) aan Kircher wordt toegewezen.

Deze kwestie werd mijn tweede en laatste wat intensiever contact met pater Kircher. Zij is in den brede besproken in Josef Maria Eder's Geschichte der Photographie (laatste Duitse druk 1932). Eder houdt Christiaan Huygens voor de ware uitvinder van de toverlantaren. Dat Kircher daarvan de vader niet was, is al in 1919 aangetoond door Paul Liesegang. Maar de legende blijkt taai. Terecht schrijft Haakman: “Het zou ook bekend moeten zijn dat niet Kircher de laterna magica heeft uitgevonden. Hij heeft zelf nooit beweerd dat hij de uitvinder van het apparaat was. Hij heeft het alleen maar beschreven en laten afbeelden in zijn boek over optica, Ars Magna Lucis et Umbrae (-).”

Fout laten afbeelden kan hieraan toegevoegd worden.

Een universele professor

Kircher was professor in het Hebreeuws en in de wiskunde. Hij schreef behalve over de geologie en de natuurkunde van het licht, ook over taalkunde, over magneten - is niet alles aantrekking en afstoting, - hij verklaarde wat de hiërogliefen beduidden (fout), hij schreef een boek over China waar hij nooit was geweest.

Hij "herontdekte' de Egyptische taal zogenaamd, hij schreef over muziek, hij construeerde zelfs een componeermachine. Het is te veel om op te noemen en het betreft allemaal onderwerpen waarmee ik me nooit heb beziggehouden, maar die tot de huidige dag sterk in de belangstelling staan van mensen met een neiging tot goedgelovigheid, om niet te zeggen bijgeloof. De Egyptische obelisken! Hij voorzag er een van zelf bedachte hiërogliefen! En was Hermes Trismegistos de driewerf grootste Hermes niet ook al een Egyptenaar? (Hedendaags antwoord: nee.)

De mogelijkheid bestaat evenwel dat Kircher zo goed als niets van waarde ontdekt heeft of uitgevonden. Maar wie zal dit beoordelen, zo lang zijn kolossale oeuvre, al is het zonder twijfel hoofdzakelijk uit onzin samengesteld, niet door moderne deskundigen grondig wordt uitgeplozen, zolang het niet herdrukt wordt en het voortgaat in verscheidene bibliotheken te verstoffen?

Het Kircher Genootschap

Deze zelfde vraag lag ogenschijnlijk ten grondslag aan de handelingen en woorden van twee ondernemende heren, met wie Haakman ook in 1973 kennismaakte. Kirchervereerders waren het, Kirchergekken misschien. Maar hoe anders dan de brave Gustav Möller die op een plek waar niemand komen mocht, een vitrine vulde met enkele reproducties en een toverlantaarntje en dit een Kirchermuseum noemde!

Groots was de stijl waarin het tweetal Beck en Franzl leefde en groots waren hun plannen: zij schatten Kircher's geschriften op een zesenzestig delen en die zouden zij uitgeven voor een aantal rijke intekenaars: “(-) van de bijzondere uitvoering voor koningshuizen en staatspresidenten zijn tien exemplaren voor vrije verkoop. Deze zijn voorzien van de Romeinse cijfers I tot X; de naam van de koper wordt op een bronzen plaat gegraveerd, en ze worden onafgesneden geleverd in luxe cassettes en met de hand gesigneerd door de uitgevers en door de president van de Pauselijke Academie van Wetenschappen, Zijne Excellentie p. Daniele Joseph Kelly O'Connell SJ, die ook een ten geleide heeft geschreven. Prijs: DM 50.000.” Per deel, wel te verstaan.

Geen kleine scharrelaars, de heren die de Internationale Athanasius Kircher Forschungsgesellschaft leidden: Arno Beck, Commendatore des Ritterordens vom Heiligen Grabe zu Jerusalem, president. En Herbert Franzl, ook Commendatore, in dezelfde orde, en vice-president van het gezelschap. Geen gebrek hebben zij aan hoge relaties en foto's waar zij in gezelschap van de paus op staan. Zij ontvangen Haakman zonder moeite met champagne.

Het duurt niet lang, of het dringt tot de lezer door, dat hij met zwendelaars te doen heeft.

Ze leuren met een in geiteleer gebonden dummy van het eerste deel van het kolossale standaardwerk, weten door vrome aanvechtingen bespeelde rijkaards tot intekenen en vooruitbetaling te bewegen, maar produceren de andere delen natuurlijk nooit.

Ze kopen alle boeken die ze maar te pakken kunnen krijgen, nieuwe en antikwarische, een kamer vol, en als het geld opraakt belenen ze deze boekenvoorraad drie maal, bij drie verschillende banken. Dit gaat mis, allicht.

Maar ik zal de nadere bijzonderheden voor me houden, al zijn ze vermakelijk genoeg (en toch voortdurend ook beangstigend). Het is niet de beschrijving van hun truuks, die Haakman's boek treffend en boeiend maakt.

Haakman, door Beck en Franzl wel zo nu en dan, zij het kortstondig, voor de gek gehouden, niet ernstig benadeeld, voelde een soort begrijpende sympathie voor het onbetrouwbare duo, en ook nadat ze door de mand waren gevallen en Beck zelfs enige jaren in de gevangenis had doorgebracht, bleef hij zich om hen bekommeren, als onder de invloed van een onverklaarbare betovering. Waarom? Omdat hij het ervoor houdt dat Beck en Franzl door hun studieobject, Kircher, op het slechte pad waren gebracht.

“Van analogica naar paralogica, naar pseudologia fantastica was voor hem maar een kleine stap, getuige zijn fantasievolle hiërogliefeninterpretaties, zijn verwoede inspanning om verbanden te leggen tussen alles wat hem bekend was, om overal iets achter te zoeken. Alles heeft een dubbele bodem. In de aangrenzende kamer wordt een samenzwering gesmeed. Brenger dezes is een verrader. De natuur is een en al symbool. Onder deze wereld bevindt zich een andere, een omgekeerde wereld, een reusachtig labyrint waar zich de verborgen oorzaken bevinden van wat bovengronds plaatsvindt. In de hemel staat een alfabet te lezen.

Analogica, de sublieme vorm van paranoia.''

En zo werden Beck en Franzl met hun ronkende titels en beloften waar niets van terechtkwam een soort reïncarnaties van Athanasius Kircher, wat Haakman heel goed aannemelijk weet te maken.

Over Kircher schrijft hij ook nog:

“Fantastische literatuur, science fiction, dat is uiteindelijk Kirchers terrein. Gigantische hypothesen woekeren bij hem waar bij anderen de twijfel begint. De oplossing is veel belangrijker dan het raadsel. De wetenschap bevatte voor Kircher geen terra incognita. Hij wist alles van de bronnen van de Nijl, de poolstreken en de zeemonsters. Hij kende alles door het af te leiden.”

Ja, zo was Kircher waarschijnlijk.

“De oplossing is veel belangrijker dan het raadsel.”

“Hij kende alles door het af te leiden.”

Dit zijn volzinnen die ik niet gauw vergeten zal.

Het zijn immers de basisregels die het schrijven beheersen van elke echte romanschrijver (niet van de reporter dus, of de eerlijke autobiograaf).