De Koningin ziet alles

Wat gebeurt er met ons incasseringsvermogen als we plaats hebben genomen in het theater? Waarom accepteren we in de schouwburg, in dit geval in de Amsterdamse Stadsschouwburg allerlei ongemakken en ergernissen die we in andere omstandigheden onaanvaardbaar zouden vinden? Wat maakt ons zo meegaand terwijl we letterlijk en figuurlijk op zachte stoelen, dat wel, worden dwarsgezeten? Komt het door de weelderige rijkdom van het interieur, de barok gewatteerde bonbondoos waarin we zitten, dat we niet uitbarsten in luid protest omdat ons het zicht wordt benomen op een tafereel waarvoor we hebben betaald?

Ik kan me niet of nauwelijks herinneren ooit een voorstelling in de Amsterdamse stadsschouwburg helemaal te hebben gezien. Altijd zijn er delen van het toneelbeeld verdwenen. De bezoekers die voor me zitten, hebben steevast onwaarschijnlijk grote hoofden of reusachtige schoudervullingen. Of de onderkant van het beeld is afgesneden omdat ik op een van de eerste rijen in de zaal zit en tegen het toneel aankijk zoals een reiziger in het dal opziet tegen een bergplateau. Of ik heb helaas een plaats op een van de achterste rijen van het zijbalkon en zie slechts een verticale helft van het toneelbeeld, tenminste als ik overdreven voorovergebogen zit en letterlijk mijn nek uitsteek.

Eén keer mocht ik op de plaats van de koningin zitten, toen zag ik alles.

Hoe zeer de bezoeker van de stadsschouwburg geneigd is alle ongemakken psychologisch te verdoezelen, drong pas goed tot mij door toen ik de visie op het interieur van dit theatergebouw las van de artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, Gerardjan Rijnders. Zijn kritiek is niet mals en de maatregelen die hij voorstelt zijn dat evenmin. Maar hij heeft gelijk, er moet wat gebeuren.

De Toneelgroep Amsterdam wil - en dat is begrijpelijk - over een eigen podium beschikken, maar het negentiende-eeuwse operatheater dat de Stadsschouwburg is en waarvoor bij wijze van spreken het steroptreden van Sarah Bernhardt model heeft gestaan, kan daarvoor onmogelijk dienen.

De bezwaren van Gerardjan Rijnders gelden al die hierboven beschreven onvolkomenheden. Het publiek kan te weinig zien en het toneelgezelschap kan niet in de configuratie spelen die het wil, dat wil zeggen in de lengte, de breedte, de rondte, diagonaalsgewijs of in welke andere denkbare richting of opstelling ook. De zaal regisseert ingrijpend mee, heet dat.

Nostalgisch

Gerardjan Rijnders en ik bespreken de bezwaren tegen de architectuur en de inrichting van de Stadsschouwburg in een lege zaal. We zitten in een monument. Dit gebouw slopen en vervangen door een geheel nieuw theater is een kwajongensbespiegeling die niets met de werkelijkheid heeft te maken. Rijnders heeft zich aan deze ferme uitval gewaagd, omdat de conclusie van het beleidsplan van de Toneelgroep Amsterdam 1993-1996 zó beschaafd is geformuleerd dat niemand haar heeft opgemerkt. Er staat: “Toneelgroep Amsterdam heeft de wil en de mogelijkheid om door te gaan, maar doet het alleen indien haar het perspektief wordt geboden dat ze op niet al te lange termijn over een echt eigen thuis kan beschikken.”

We zitten zwijgend naast elkaar en kijken rond alsof we de zaal, de balkons, de loges, de gouden lijst, het plafond voor het eerst zien. Op het toneel lopen twee mannen die op luide toon iets theatertechnisch bespreken en elkaar op een attribuut achter de lijst wijzen. Ze verdwijnen in de coulissen en nu is het muisstil in de Stadsschouwburg. “Vind je hem eigenlijk mooi, deze zaal?” vraagt Rijnders.

“"Mooi' is het woord niet,” is mijn laffe antwoord. De zaal is curieus nostalgisch, een overlevering in goud op snee en rood velours waarboven een nachtblauwe hemel hangt. Een mild stemmende geschiedenis, die op deze plek is begonnen in 1773, met een houten gebouw ontworpen door de directeur-generaal over de stadswerken J.E. de Witte. Een eeuw later werd de "houten kast' door de architecten B. de Greef en W. Springer met een stenen mantel omgeven, van een colonnade voorzien en inwendig drastisch verbouwd. In 1890 brandde de schouwburg af en drie jaar later werd hij weer opgebouwd naar een ontwerp van J. Springer en A.L. van Gendt. Op 1 september 1894 opende het nieuwe, in Hollandse renaissance-stijl opgetrokken theatergebouw met een flodderig stuk van Hendrik Jan Schimmel, getiteld "In de directiekamer'. Sindsdien is de Amsterdamse Stadsschouwburg niet ingrijpend veranderd.

Een eeuw lang heeft het gebouw bestaan in de vormgeving van de achttiende eeuw en nu bestaat het gebouw al een eeuw lang in de vormgeving van de negentiende eeuw. Gerardjan Rijnders heeft de klok geluid voor het aanbreken van de volgende fase in de natuurlijke cyclus die het bestaan van de schouwburg vertoont.

Arena

Wat moet er in bouwkundige zin met de Stadsschouwburg gebeuren wil de Toneelgroep Amsterdam zich in dit theater aan het Leidseplein thuis kunnen voelen?

Van de negenhonderd zitplaatsen in het theater bieden een kleine driehonderd zo'n ondeugdelijk zicht op het toneel dat deze stoelen eigenlijk niet verkocht mogen worden. De achterste rijen op de zijbalkons en de eerste stoelenrijen in de zaal zijn geheel onbruikbaar. Verder is een groot aantal plaatsen in de zaal beroerd omdat je uitzicht wordt belemmerd door iets of iemand.

De oplossing. Trek de nu flauw hellende zaalvloer aan de voorkant omhoog zodat hij horizontaal en gelijk met het podium komt te liggen. Verwijder alle stoelen uit de zaal en bouw daarvoor in de plaats een tribune die aan de achterkant van de zaal oploopt tot het eerste balkon. Op de tribune kunnen zeshonderd mensen zitten, maar die kunnen dan wel alle zeshonderd als de koningin het toneel zien. Met de moderne middelen en technieken moet het mogelijk zijn om een tribune te ontwerpen die in een oogwenk kan worden afgebroken en weer opgebouwd. Met een lege zaal kan dan in "arena-vorm' worden gespeeld met een klein publiek op de balkons (Rijnders: “Ideaal voor Peer Gynt”).

In weerwil van eerdere baldadige uitspraken vindt Rijnders het bestaande toneel groot genoeg en hoeft de klassieke "lijst' niet te verdwijnen. Dat zou ook niet voor erg veel verbetering zorgen. Hooguit de helft van de zijbalkondiepte zou dan bij de zaal en de toneelbreedte kunnen worden getrokken en dat is een te geringe winst voor wat de ingreep overhoop haalt.

Met de egalisatie van de zaalvloer en een mobiele tribune - een onderneming die bij elkaar nog geen miljoen gulden hoeft te kosten - zou het huis aan het Leidseplein voor de Toneelgroep Amsterdam naar behoren zijn ingericht. Gerardjan Rijnders: “Maar architectuur is niet het enige probleem. Als je de zaal verbouwt, wil het gezelschap natuurlijk ook een stempel drukken op de overige programmering. Dan kom je aan een veel groter probleem dan de inrichting van de zaal: de beheersstructuur. En de bereidheid om daar iets aan te doen, is er niet.”

Gelukkig valt dit vraagstuk buiten de grenzen van een rubriek die Bouwkunst heet. Het wordt weer muisstil in de zaal van de Stadsschouwburg.