De 20ste-eeuwse inhoud van het 19de-eeuwse Theatre de la Ville in Parijs; Engeltjes, weggedragen door beulen

“Die zaal moet weg, daar moet een tribune komen”, schreef regisseur Gerard Jan Rijnders onlangs over de Amsterdamse Stadsschouwburg. Is dat de beste oplossing voor de "barok gewatteerde bonbondoos' die het publiek het zicht op het toneel ontneemt? Pieter Kottman bezocht in Parijs het Théâtre de la Ville, een vergelijkbare 19de-eeuwse schouwburg die in 1968 verbouwd werd tot een theater "waarin iedere toeschouwer de voeten van de spelers kon zien, óók als Charles de Gaulle voor hem zat'. Max van Rooy onderwierp in Amsterdam de Stadsschouwburg aan een bouwkundig onderzoek. "Met de egalisatie van de zaalvloer en een mobiele tribune - een onderneming die bij elkaar nog geen miljoen gulden hoeft te kosten - zou het huis aan het Leidseplein naar behoren zijn ingericht.'

Jean Mercure is nu 82. Hij ontvangt me in het allerschattigste - ik weet het zeker - huisje op Montmartre. We klinken om elf uur 's ochtends met twee vingerhoeden whiskey, omdat hij meer dan 23 jaar geleden een “rondje blufpoker” won. Mercure was toen een redelijk gevierd regisseur en werd door de Conseil de la Ville de Paris verzocht te solliciteren naar de post van directeur van een nieuw théâtre populaire. Het gebouw stond er al, al meer dan honderd jaar zelfs. Het Théâtre Sarah Bernhardt - zoals het toen nog heette - behoefde alleen wat aanpassingen en een betere programmering, en dan zou het kunnen concurreren met het succes van het Festival des Nations en met de bedaagde traditie van de Comédie Française.

Mercure was nauwelijks vereerd met het verzoek. Vanwege het gebouw. Sarah Bernhardt was een théâtre à l'italienne, een met onze Amsterdamse Stadsschouwburg vergelijkbare bonbonnière, waarin de kwaliteit van de toeschouwers zichtbaar werd gemaakt door de vijf rangen. Negentiende-eeuws, vond Mercure, en niet democratisch, in die dagen meer nog dan nu een sleutelbegrip. Minstens zo zwaar als de onmogelijke toneellijst woog voor hem dat “het bourgeoistheater” moest verdwijnen.

Hij besloot het verzoek niet serieus te nemen en waste de heren “voor zijn eigen genoegen” gedurende een half uurtje de oren. Hij glundert nog steeds. “Ik vertelde ze, tot hun ontsteltenis, dat het hele gebouw leeggeschept moest worden en toen zij tegenwierpen dat zoiets idioots vier jaar zou vergen, riep ik: “Ik? Een theater vier jaar sluiten? Pas pensable!”

Mercure hield het gezelschap voor dat geld en slechts één jaar voldoende waren om een theater te krijgen “waarin iedere toeschouwer de voeten van de spelers kon zien, óók als Charles de Gaulle voor hem zat”. Zonder kepie, dat wel, had hij eraan toegevoegd. Later hoorde hij, dat de bijeenkomst de eerste was waar iemand het woord had gevoerd zonder na drie minuten onderbroken te worden. “Misschien heeft dat de doorslag gegeven,” oppert hij nu.

Toen Sarah Bernhardt nog geen legende was, in 1862, werd het gebouw als Théâtre Lyrique door de architect Davioud ter hoogte van de Pont au Change neergezet tussen het place du Châtelet en het straatje, rue de la Vieille Lanterne, waar enkele jaren daarvoor de grote dichter Gérard de Nerval zich had opgehangen. Aan het traliewerk boven een goot. Precies op die plek kwam het souffleurshok van het nieuwe theater. En aan de andere kant van het plein verrees in dezelfde Napoléon III genoemde neo-stijl een groter tweelinggebouw, het tot op de dag van vandaag in oude staat verkerende Théâtre du Châtelet.

Geheiligd monster

Zelfs voor een theater dat nu al bijna honderddertig jaar bestaat is het aantal naamsveranderingen onwaarschijnlijk groot. Nog geen tien jaar na de opening stak de Commune het in brand - de Commune die er tevens de oorzaak van was dat Jean Mercure benoemd werd door een Conseil en niet door een burgemeester. Parijs viel voortaan direct onder het centrale gezag. Het in 1873 heropende gebouw werd Théâtre Historique genoemd en even daarna Théâtre des Nations, toen weer Théâtre Italien en vervolgens Théâtre de Paris. In 1898 nam het de naam aan van de directrice, het monstre sacré Sarah Bernhardt, om in 1936 herdoopt te worden tot Théâtre du Peuple. Tijdens de bezetting heette het Théâtre de la Cité en na de bevrijding wederom Théâtre Sarah Bernhardt.

Het geschipper met de naam verraadt op zijn zachtst gezegd een niet erg florissante geschiedenis. In artistiek opzicht volgde vanaf het begin de ene ramp na de andere. Het gebouw is van de stad Parijs, maar de successieve gebruikers en naamgevers niet: subsidie heeft tot aan het aantreden van Mercure niet bestaan of reikte (pas vanaf het begin van de jaren zestig) niet verder dan de gegarandeerde dagelijkse aankoop van vierhonderd stoelen die de gemeente, dag na dag dus, onder relaties uitdeelde. Tijdens de hele geschiedenis van het gebouw beheerden alleen Sarah Bernhardt en haar opvolger, de al even legendarische Charles Dullin, het met succes.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de gemeente, daartoe aangezet door de toenmalige minister van Cultuur, André Malraux, in 1967 besluit de exploitatie eindelijk maar eens zelf ter hand te nemen en de bespeling van het gebouw te subsidiëren. In een gedenkboekje uit 1968 staan mooie foto's van bouwvakkers die met barokke engelenbeeldjes over straat lopen. “Niet zonder tederheid”, vermeldt het bijschrift niet zonder Frans gevoel voor lyriek “dragen hun beulen de onttakelde engeltjes weg die sinds het Second Empire van heel wat feesten getuige zijn geweest”. Niet zonder tederheid, maar ook niet gespeend van voortvarendheid.

In april 1967 was Jean Mercure benoemd tot directeur van het Théâtre de la Ville. Zijn contract bestond uit anderhalf velletje: hij kreeg de totale vrijheid, ten aanzien van het artistieke beleid maar ook wat de architectonische aanpassing van het gebouw betrof. In september van hetzelfde jaar weerklonken de eerste mokerslagen en verdwenen de engeltjes naar de gemeentelijke opslag en in november 1968 ging het inwendig volledig herbouwde theater weer open. Het had geen eigen huisgezelschap, ad hoc organiseerde Mercure voor zichzelf één regie per jaar. Voor het overige programmeerde hij: dans, theater, muziek.

Tuiltje

In een open brief, die Mercure ten tijde van de verbouwing op een bankje in het Parc du Montsouris schreef, rechtvaardigde hij de gemeentelijke goedkeuring voor wat sommigen, “vooral van rechts” "vernietiging van cultuurgoed' achtten. Hij stelde, dat in het oude theater ten koste van zes miljoen francs inderdaad de ornamentatie en schilderingen "waarvan niemand de onvervangbare waarde zag' opgeknapt hadden kunnen worden. Maar de dag van de heropening had men dan in een "wellicht niet van charme gespeende zaal' gezeten, waarin slechts 650 van de 1300 plaatsen, verdeeld over drie verdiepingen, redelijkerwijs verkocht konden worden. En dan “waren we de gevangenen geweest van een conventioneel geval dat ieder initiatief van de dramaturgie of de regie gesmoord had en dat in geen enkel opzicht op de toekomst was gericht”. Men had de Parijzenaars kortom “een tuiltje snijbloemen aangeboden in plaats van een boom te planten”.

De, naar de mening van Mercure, achteraf zeer coöperatieve Conseil koos voor de boom. Het hele theater werd gesloopt, met uitzondering van de muren en het dak. Vooral dat laatste was een huzarenstukje, dat slaagde dank zij de jonge architecten Jean Perrottet en Valentin Fabre die inmiddels een reputatie hebben op te houden op het gebied van theaterbouw. Volgens Mercure werd met het Théâtre de la Ville voor het eerst een theater in nauwe samenwerking met de toekomstige gebruikers gebouwd. Uniek, evenals het resultaat van die samenwerking.

Uiterlijk is het gebouw onveranderd. Maar direct achter de gehandhaafde gevel is vanaf de straat een betonnen amfitheater-tribune zichtbaar. Die uit één stuk gebouwde schuine wand telt tweehonderd plaatsen minder dan het oude theater, maar ze zijn allemaal even goed. De toneelopening is 22 meter breed en kan met mobiele coulissen versmald worden. Het bezwaar dat de zaal dieper werd, tot 26 meter, werd ondervangen door akoestische panelen. Voor het podium is er plaats voor een groot orkest of een proscenium. Het podium zelf werd onderverdeeld in mobiele vlakken. Vlak onder de koepel kwam een repetitielokaal met dezelfde afmetingen als het toneel. Verder werd voorzien in een opslag voor de decors van vier voorstellingen, een restaurant in het souterrain en in “vestiaires automatiques”, met kluizen.

Kille sfeer

Materiaalkeuze en stijl van het interieur zijn na bijna 25 jaar hopeloos gedateerd, er heerst een onbehaaglijke, kille sfeer in het theater. En door de vaste, oplopende tribune kijkt men altijd van bovenaf op het toneel, wat vooral bij dansvoorstellingen stoort. Maar het was direct, en tot op heden, een succes. Minder toegankelijke voorstellingen of onbekende kunstenaars - Pina Bausch was er in 1977 voor het eerst in het buitenland te zien - trekken nog steeds volle zalen. Bezetting van minder dan honderd procent komt zelden of nooit voor.

Mercure, die in 1986 met pensioen ging, schrijft dat toe aan de overigens sinds zijn vertrek nog slechts één keer per week geprogrammeerde "dix-huit heures trente-voorstelling', die precies een uur duurde en een week lang te zien was. Daarmee lokte hij forensen het theater binnen die voorheen meteen de metro naar de buitenwijken namen en nu mede dank zij het restaurant naar de avondvoorstelling kwamen. Juliette Gréco, toen op het hoogtepunt van haar roem, verzorgde op 5 november 1968 de eerste editie van het fenomeen.

Serieus verzet tegen zijn ingrijpende verbouwing kan Mercure zich nauwelijks herinneren. Henri Jeanson, destijds een bekend columnist, schreef dat hij in het theater de krantenjongens buiten kon horen schreeuwen. Hij was volgens Mercure "in geen honderd jaar meer in Parijs geweest': krantenjongens bestonden ook toen al lang niet meer. Een andere columnist had bij het woord "lift', dat viel in verband met de beweegbare podiumdelen, geconcludeerd dat Mercure het theater afbrak om comfortabel naar zijn kantoor op de derde verdieping te kunnen zoeven. En verder was er gemor van de ongesubsidieerde theaters, die de concurrentie vreesden.

De grootste kritiek gold nog de naamsverandering. De la Ville maakte het theater tot dat van alle Parijzenaars, maar de naam herinnerde aan het de la Cité van de Duitse bezetter. En bovendien werd Sarah Bernhardt onrecht gedaan, te meer daar haar boudoir, dat zich achter de toneellijst pal naast het oude podium bevond, moest verdwijnen. Uit piëteit liet Mercure haar naam in kleine letters op de gevel aanbrengen en in een aparte hoek van de entreeruimte op de eerste etage werd het boudoir herbouwd. Nu weet volgens hem niemand meer wie Sarah Bernhardt was. Één van haar benen was geamputeerd. In de stoffige vitrine, naast haar bad, staat dan ook maar één zijden muiltje te verpieteren.