Componist Chiel Meijering over de saaiheid van de concertwereld; Moeilijk doen kunnen we allemaal

De componist Chiel Meijering (37) schrijft snel en veel: gemiddeld 15 muziekstukken per jaar. “Ik krijg gelukkig niet allerlei geniale invallen als ik 's nachts in bed lig. Mijn vondsten ontstaan gewoon aan het bureau”, zegt Meijering. Hij vindt de Nederlandse muziek niet extreem genoeg en werkt nu aan een seks-opera. “Ik had wel weer een Griekse tragedie uit de kast kunnen halen, maar opera's moeten over actuele zaken gaan.” Zijn compositie Het blote feit zal op zondag worden gespeeld tijdens de Nederlandse Muziekdagen die van 13 tot en met 15 januari in Utrecht plaatsvinden.

Ton de Leeuw kon Chiel Meijering, die bij hem aan het Sweelinck Conservatorium compositie studeerde, amper bijhouden. Regelmatig vroeg De Leeuw om de volgende les nu eens met één pagina te komen, in plaats van met een volledig muziekstuk. Dat verklaart volgens Meijering, waarom zijn werkenlijst tot 1980 niet meer dan zes stukken per jaar bevat. Daarna groeide het aantal gestaag en nu zit hij jaarlijks op een gemiddelde van ongeveer vijftien composities, wat opmerkelijk veel is voor een hedendaags componist.

“Tegenwoordig presenteren de meeste componisten één keer per jaar met veel poeha hun nieuwe compositie,” zegt Meijering. “Maar dat heeft niets met muziek zelf te maken, alleen met gevoel voor publiciteit en carrière. Mij interesseert dat niet. Ik componeer snel en veel. Maar dat ambachtelijke wordt nou eenmaal alleen geaccepteerd van Mozart, Bach, Telemann. Als het je te gemakkelijk afgaat, als je niet voortdurend aan het zwoegen bent, maar bruist als een fontein, dan word je nauwelijks serieus genomen.

“Componeren is een plekje ergens in mij, dat geactiveerd wordt zo gauw ik achter mijn schrijftafel ga zitten. Dat doe ik zes tot zeven uur per dag, de rest van de tijd heb ik er geen last van. Ik krijg gelukkig niet allerlei geniale invallen als ik 's nachts in bed lig. Mijn vondsten ontstaan gewoon aan het bureau en daaruit put ik dan weer de energie om door te gaan. Ton de Leeuw zei weleens dat hij bang was dat de kraan van het componeren werd dichtgedraaid als hij er te weinig tijd voor zou nemen. Omgekeerd ontstaan er vanzelf nieuwe ideeën door heel veel te werken.”

Chiel Meijering (37) stamt uit een Amsterdams middenklassegezin. Zijn grootvader was koordirigent, zijn ouders hielden van muziek en waren geregelde operagangers. Meijering studeerde slagwerk aan het Amsterdamse conservatorium bij Jan Labordus, ex-paukenist van het Concertgebouworkest, maar al gauw raakte hij gefascineerd door het componeren en nam hij les bij Ton de Leeuw. Meijering heeft altijd veel belangstelling gehad voor popmuziek, volgens hem onder meer om zich af te zetten tegen het brood-op-de-plank-milieu waarin hij opgroeide. Sporen van popmuziek keren veelvuldig in zijn muziek terug, vooral in het spontane, energieke karakter en de sterk ritmische kracht. Ook de korte duur van zijn composities lijkt een overblijfsel van het popverleden. Musici hebben vaak moeite met het gevoel voor timing, dat voor Meijerings werk essentieel is. De componist ontneemt ze zoveel mogelijk de kans om op zichzelf terug te vallen. Meijering: “Een musicus moet als het ware in het stuk gezogen worden. Hij moet spelen met het pistool op het hoofd. Beschouw dat maar als een gebaar naar het publiek, dat altijd reageert op de energie van de muzikant. Daarom schrijf ik het liefst voor solisten of kleine ensembles, want daarin is de verantwoordelijkheid van individuele musici veel groter dan in een orkest.”

Vampier

De enorme muzikale produktie van Meijering wordt door critici vaak met enige argwaan bekeken. Dat blijkt ook uit recensies, waarin een soort terughoudend enthousiasme te bespeuren valt: pittoresk maar onbeduidend; verfrissend vrolijke notendouche, maar ook niet meer dan dat; pakkend, maar een beetje mager. Meijering: “Recensenten weten niet goed raad met mijn muziek. Ze worden wel geraakt door de frisheid ervan en de energie die een werk genereert, maar voelen zich onzeker door de snelheid waarmee ik componeer. Ze beschouwen dat als een vorm van oppervlakkigheid, maar daar heeft het niets mee te maken. Het is een manier van werken. Ik componeer in een soort roes. Als ik langer dan een paar weken aan een stuk sleutel, verdwijnt de oorspronkelijke emotie. Ik heb bij voorbeeld een "in memoriam' geschreven voor een vriend, kort nadat hij was overleden. Tijdens het componeren had ik als het ware het gevoel dat die vriend bij mij in de kamer zat. Als ik er te lang aan zou hebben gewerkt, was dat gevoel verdwenen en zou de kracht van het stuk voor een deel verloren zijn gegaan.”

Meijering geeft toe dat een aantal van zijn oudere werken niet helemaal geslaagd is, maar dat heeft volgens hem vooral met leeftijd te maken. Helaas komen recensenten tegenwoordig zelden nog luisteren, omdat ze volgens de componist denken te weten hoe zijn muziek klinkt. Meijering: “Kranten hebben nu eenmaal dat vampier-achtige, ze zijn voortdurend op zoek naar jong bloed. Maar ik heb de laatste jaren een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. Vroeger heb ik uit verzet tegen te veel intellectualisme soms geforceerd gecomponeerd. Als je ouder wordt, krijgen emoties meer diepgang. Mijn muziek is ook veranderd sinds ik een kind heb. Ik voel me meer verantwoordelijk voor wat ik doe. In het verleden schreef ik van idee naar idee, zonder me te be-kommeren over de uitwerking. Iedere compositie werd een gok, want ik maakte geen plan om te zorgen dat de veertiende minuut nog iets te maken had met de achtste of de negende. Bij een première kon het angstzweet me uitbreken: "Het begint goed maar, o jee, hou ik het vol?' Dat overkomt me nu niet meer, hoewel ik als luisteraar conservatiever ben dan als componist en in de zaal denk ik nog wel eens: "Nou, nou, Meijering, zo is het wel genoeg'. Maar ik ben beter in staat om afstand te nemen van mijn ideeën en verlies me niet meer zo gemakkelijk in mijn eigen opwinding.”

Toch neemt Meijering nog steeds bewust risico's in zijn muziek: “Het is aantrekkelijk om ook de minder goede kanten van jezelf te laten zien. Ik streef ernaar altijd eerlijk te zijn en doe mijn best om me niet achter modieuze stijlen te verschuilen. Ik ben niet bang voor banale emoties en laat ze graag op een verfrissende manier horen. Moeilijk doen kunnen we allemaal. Natuurlijk kan ik mijn werk ook door een filter halen en zorgen dat er alleen noten overblijven die beantwoorden aan de smaak van beoordelingscommissies, of me aanpassen, zoals sommige leerlingen van Jan van Vlijmen of Tristan Keuris, aan het idioom van de meester.”

Seks-opera

Chiel Meijering vindt dat Nederlandse componisten zich niet erg profileren. Nederlandse muziek is volgens hem over het algemeen van grote kwaliteit, maar niet extreem genoeg, in tegenstelling tot muziek uit landen als Oostenrijk, waar het verzet tegen de burgerlijke cultuur extremen uitlokt, en Amerika, waar componisten zo weinig verdienen dat ze wel gedwongen zijn om op te vallen. Meijering ziet in zijn werk weinig overeenkomsten met andere componisten: “Ik heb de ambivalentie van een popmuzikant in de klassieke wereld niet verloren. Ik voel me niet echt thuis in de avant-garde, en mijn 5-8-maat is weer te onhandig in de vierkwarts-popmuziek. Er zijn tegenwoordig meer componisten met een verleden in de populaire muziek, zoals Martijn Padding en Rob Zuidam. En Guus Janssen speelt wel in jazz-concerten, maar bij hem komt het calvinisme toch weer om de hoek kijken, als hij tijdens zo'n concert van die artistieke intermezzo's speelt. Dat is het grote taboe van de hedendaagse muziek, die mag niet gewoon lekker zijn. Het publiek mag niet echt klaarkomen. De concertwereld is dodelijk saai, met gortdroge musici, die zich het liefst achter hun lessenaars zouden verschuilen. Ik vind dat er op het podium iets moet gebeuren. Mensen mogen niet de kans krijgen om zich te vervelen.”

Ook met zijn opvallende titels probeert Meijering de saaiheid te doorbreken. Zijn stukken heten bij voorbeeld Xylofoon van yoghurt, 1.000.000.000.000 billen, A sexshop in the desert, De neusgaten van Sophia Loren, en Schudden voor gebruik. Meijering: “Vroeger verzon ik altijd een soort verantwoording voor de titel, speciaal voor de recensenten, want die jongens moeten toch ook een houvast hebben, maar dat doe ik niet meer. Soms was die verklaring er met de haren bijgesleept en werd ik daar later op aangevallen. Ik heb een hekel aan fantasieloze titels zoals Canzona III of Impulsen II. Dan zet ik het publiek nog liever even op een verkeerd spoor.”

Op dit moment werkt Meijering aan een seks-opera, zoals hij het werk zelf noemt. De opera vertelt de verwikkelingen van vier vrouwelijke hoofdpersonen: een lesbisch paar met SM-neigingen, een vrouw die door religie probeert tot extase te komen en een exploitante van een 06-lijn. Meijering: “Ik had wel weer een Griekse tragedie uit de kast kunnen halen, maar opera's moeten over actuele zaken gaan. De opera heeft me een forse telefoonrekening bezorgd, want ik heb er een groot aantal 06-lijnen voor gebeld en de teksten op band opgenomen. Er zitten soms hele goede tussen, die gebruik ik als aria's in de opera. Het werk zit vol theatrale effecten. Er komt bij voorbeeld een darkroom in voor, zo'n verduisterde kamer met af en toe een flits neonlicht, waarin homoseksuele mannen met elkaar vrijen. Het zijn ware broeinesten geweest voor aids. Ondertussen stelt een koor aan de 06-dame de vraag: "Is dit het moeras waarin je wilt wegzinken?' De opera heeft wel een moralistisch tintje. Seks en dood, dat zijn onderwerpen die me bezighouden.

“Muziek zelf kan volgens mij niet moralistisch zijn. Wat muziek wel is weet ik niet. Neem bij voorbeeld die eerste twintig maten van La Mer van Debussy. Het gevoel dat daarin wordt uitgedrukt, ligt wel ergens in mij opgeslagen, zelfs als ik boodschappen doe. Maar ik ervaar het pas wanneer ik naar La Mer luister. Als Debussy even later naar een andere toonsoort moduleert, is die emotie verdwenen. Dan voel ik me behoorlijk in de steek gelaten door de componist.”