Ambachtelijke kleermaker met uitsterven bedreigd

De vraag naar maatkleding neemt toe. Het maatpak past in de trend want de mode is klassiek. Er is een probleem voor de liefhebbers van maatpakken: er zijn bijna geen kleermakers meer.

“Als ik met een klant praat, maak ik me ondergeschikt. Mijn ik trekt zich als het ware terug, ik ben alleen nog maar dienstbaar. Topmensen in dit beroep hebben het allemaal: zo'n houding van nederig buigen.” Maatkleermaker J. Aartsen (45) uit Vorden heeft een moderne visie op zijn ambacht, maar een traditionele opvatting van de relatie klant-kleermaker. De kleermaker moet onderdanig zijn, vindt hij, ook al wordt het uiterste van zijn incasseringsvermogen verlangd. Door zichzelf weg te cijferen, geeft hij zijn klanten de ruimte om zich te uiten. Aartsen: “Psychologie is een belangrijk onderdeel van het vak. Ik moet weten hoe mensen zijn en hoe ze zich voelen, want alleen dan kan ik hun verlangens vertalen in kleding. Voor mannen die vaak onder spanning staan, maak ik de pakken bij voorbeeld wat ruimer, want zij willen kleren die ze niet voelen, die niet beklemmen. Elk kledingstuk is voor mij een examen. Als ik een nieuwe klant heb die na de eerste pas zegt: "Dit is precies wat ik wil' dan sta ik te juichen. Want dan weet ik dat ik de vaak onbewuste wensen goed heb aangevoeld. Een maatpak moet zo gemaakt zijn dat iemands wezen daarin alle ruimte heeft en naar buiten kan komen. Dat is het verschil met een confectiepak waarin een mens niets van zichzelf herkent; een confectiepak is alleen maar een huls.”

Het maatpak versus het confectiepak. Kwaliteit tegen prijs. Sinds de opkomst van de Nederlandse confectie-industrie in het derde kwart van de 19e eeuw hebben herenmaatkleermakers het kwaliteitsargument gehanteerd in de strijd tegen het in serie en naar standaardmaten gemaakte confectiepak. Het argument verloor grotendeels zijn geldigheid toen na 1960 de kwaliteit van confectiekleding verbeterde door invoering van nieuwe produktiemethoden en een breder maatstelsel. Daar kwam bij dat mannen andere eisen aan hun kleren gingen stellen. Een pak moest min of meer modieus zijn en hoefde niet meer dertig jaar mee te kunnen gaan. In diezelfde tijd ging de prijs van maatkleding fors omhoog door stijging van de arbeidskosten en invoering van het jeugdloon.

Het was het begin van het einde. In 1958 werkten nog bijna 10.000 mensen in het herenmaatkledingvak, dertig jaar later waren het er volgens gegevens van het in 1988 opgeheven Bedrijfschap voor het Maatkledingbedrijf nog maar 250. Bij de Kamer van Koophandel staan nu nog 102 herenmaatkledingbedrijven ingeschreven en 458 damesmaatkledingbedrijven waaronder zich een niet gespecificeerd aantal gemengde bedrijven bevindt.

De meeste herenmaatkleermakers zijn rond de zestig jaar of ouder, hebben geen personeel en geen opvolger. Toen in de jaren zestig de loonkosten stegen, schaften ze pers- en pikeerapparaten aan ter vervanging van de leerlingen die traditiegetrouw het eenvoudige werk deden. De apparaten bevielen goed, want ze werden niet ziek, waren niet brutaal en gingen niet weg als ze het vak eenmaal geleerd hadden. Jongeren hadden trouwens toch geen zin meer in het kleermakersvak met zijn stoffig imago en een leertijd van ten minste zes jaar. Ze gingen liever werken in een beter betalend beroep waarvoor geen diploma's vereist waren.

Maar dat is aan het veranderen. De belangstelling voor ambachtelijk werk neemt toe. Jaarlijks melden zich bij de Vereniging ter Veredeling van het Ambacht (VVA) in Almere 200 tot 300 mensen die via het leerlingstelsel een opleiding tot kleermaker willen volgen. Omdat er vrijwel geen leerplaatsen zijn, kunnen er nog geen twintig worden geplaatst.

Pag 14:

Het maatpak als een aantrekkelijke groeimarkt

Aartsen, die met zijn 45 jaar waarschijnlijk de jongste kleermaker van Nederland is, behoort tot de weinige kleermakers die nog leerlingen in dienst nemen. Hij heeft twee leerlingen, een mannelijke en een vrouwelijke, en maakt samen met hen de maatkleding voor driehonderd klanten. Hij gelooft in de toekomst van het maatvak en daarom ook in het opleiden van kleermakers, als dat tenminste op rationele wijze gebeurt. Aartsen: “De kleermakerij moet zijn kracht zoeken in modellering en stylering en niet krampachtig vasthouden aan het traditionele handwerk. Als iets beter met de hand gedaan kan worden, moet dat natuurlijk gebeuren, maar machines zijn niet voor niets uitgevonden. Ik doe nog veel met de hand, maar ik vind het bij voorbeeld onzin om een voering met de hand in te zetten. Dat gaat steviger en sneller met de machine. En dat geldt ook voor knoopsgaten. Het kost een kwartier om een knoopsgat met de hand te maken, terwijl het met de machine in een paar seconden gebeurd is. Dat een met de hand gemaakt knoopsgat mooier is, bestrijd ik. Daarvoor heb ik teveel maandagochtend- en vrijdagmiddagknoopsgaten gezien.”

G. Bolderman (59) van kleermakerij Wielick en Bolderman uit Amsterdam denkt er anders over. “Het ambachtelijke is nou juist het mooie van maatkleding. Een voering wordt bij ons met de hand opgeput waardoor je op de voering een zadelsteekje krijgt. Mijn klanten verwachten dat van een maatpak, ze weten dat dat zo hoort. Als je dit soort dingen met de machine doet, maak je eigenlijk maatconfectie. En die kun je beter in de fabriek laten maken, dan verdien je er meer aan.”

Bolderman (zijn collega Wielick is onlangs met pensioen gegaan) heeft een bestand van tweeduizend klanten. De helft koopt ambachtelijke maatkleding, de andere helft industriële maatkleding. Met dat laatste bedoelt Bolderman maatconfectie of, zoals het ook wel genoemd wordt, maatforce. Maatconfectieklanten laten zich door Bolderman de maat nemen en kiezen bij hem een model en stof uit. Stof en maatgegevens worden gestuurd naar maatconfectiefabrikant Bonart in Gladbeck, Duitsland, waar met behulp van een computer een patroon wordt gemaakt. De stof wordt met de hand gesneden en vervolgens op de band op confectie-manier in elkaar gezet. Voor de ambachtelijke maatkleding maakt coupeur Bolderman zelf de patronen en snijdt hij zelf de stof. Twee grootwerkers, een broekenmaker en een vestenmaker zetten de kleding in elkaar. Bolderman: “De grootwerkers maken jassen (kleermakerstaal voor colberts - D.G.) en overjassen en zijn tegelijkertijd zwartwerkers, dat wil zeggen dat ze rokkostuums, jacquets en smokings maken. Onze kleermakers hebben nog een ouderwetse scholing gehad. We werken al meer dan dertig jaar met elkaar samen, eerst bij Domhoff op de Herengracht waar Wielick en ik coupeur waren en later, toen Domhoff zijn zaak met personeel en al verkocht, bij de Verenigde Nederlandse Kleermakerijen (VNK), vier huizen verder op de Herengracht. Er zaten tot halverwege de jaren zestig wel twintig kleermakerijen op de Herengracht en in de Leidsestraat. Domhoff was een hele grote met twee meester- en twee assistent-coupeurs en circa dertig kleermakers. In 1973 ging de VNK failliet en toen zijn Wielick en ik voor onszelf begonnen. Onze klanten bij de VNK zijn met ons meegegaan. Op advies van een van hen, meneer Bons, destijds directeur van de Bijenkorf, hebben we alle klanten die een pak in de maak hadden, om een voorschot gevraagd. Zo hebben we de zaak gefinancierd.”

Bolderman heeft onder zijn klanten voor ambachtelijke pakken advocaten, bankmensen, doktoren en tandartsen, dominees, directeuren van grote ondernemingen en “verschillende baronnen en graven”. Voor alle pakken van Bolderman geldt dat ze tijdloos van model zijn. Aan modieuze uitwassen als brede revers of smalle pijpen doet de maatkleermaker niet mee. Ook stoffen, dessins en kleuren zijn klassiek. Maar binnen die beperkingen blijkt voor diverse beroepsgroepen nog ruimte te bestaan voor een "eigen' type kleding. Zo dragen bankmensen het liefst streeppakken, ook wel Luns-pakken genoemd, en gaat de voorkeur van dominees uit naar effen, stemmig donkergrijs. Wie maatpakken laat maken moet veel geld en geduld hebben. De levertijd van een maatconfectiepak is vier tot zes weken, op een ambachtelijk pak moet nog langer worden gewacht. Een tweedelig maatconfectiepak van een zeer goede kwaliteit stof kost bij Bolderman 1775 gulden, een driedelig komt op 2065 gulden. Bij gebruik van superhundred (een wollen stof van 350 gulden per meter) of cashmere (600 gulden per meter) komt daar nog eens de meerprijs van de stof bij. Een driedelig ambachtelijk maatpak kost 3485 gulden. Maar voor dat geld krijgt de klant dan ook een pak waar tachtig uur werk inzit en dat, als het goed wordt behandeld, een leven lang mee kan. Goed behandelen betekent een pak niet te lang achter elkaar dragen en het reinigen laten verzorgen door de kleermaker. Bolderman: “Het stomen laat ik door een stomerij doen, maar het persen gebeurt hier in de werkplaats. Bij de stomerij wordt het model van een jas er door de grote persen in één klap uitgeslagen. Wij persen op een rond perskussen waardoor het model van de borst erin blijft.” De borst van een maatjas of -overjas wordt ondersteund door op vorm gesneden hansel (kameelhaar) en paardehaar. Het binnenwerk van panden, kraag en revers wordt helemaal met de hand gepikeerd (met kleine steekjes aan de stof bevestigd), waarbij de kleermaker het kledingstuk in de vorm houdt die het uiteindelijk moet krijgen. Tot circa 1950 zaten de meeste kleermakers in kleermakerszit of in de zogenaamde Arabische zit boven op de tafel en ondersteunden het stuk dat ze onder handen hadden met een van hun knieën. Artsen noemden de traditionele kleermakerszit ongezond en als gevolg daarvan werd deze werkhouding afgeschaft op de kleermakersvakscholen. Kleermaker Aartsen uit Vorden werkt nog wel boven op tafel. Hij doet dat in Arabische zit met een knie boven de andere. Aartsen vindt dat de kleding op die manier schoner blijft dan wanneer hij op een stoel zit en de kleren afhangen op de vloer.

De Haarlemse kleermaker A.G. van der Steur (53), zesde generatie van een kleermakersgeslacht, is nadat de laatste kleermaker die nog bij hem in dienst was kort geleden met VUT ging, gestopt met het ambachtelijk maatwerk. Zelf heeft hij geen tijd meer om kleding te maken, want sinds 1989 heeft hij ook nog een historisch antiquariaat. Klanten die een maatpak willen hebben, moeten bij hem genoegen nemen met maatconfectie.

Van der Steur schat dat er nog ongeveer tweeduizend mannen in Nederland zijn die ambachtelijke maatkleding laten maken, de paar honderd klanten van Hongkong-kleermakers en "travelling tailors' uit Engeland inbegrepen. Van der Steur is de historie-schrijver van het Nederlandse kleermakersambacht. Hij heeft boeken geschreven over de geschiedenis van het meer dan 200 jaar oude eigen bedrijf en over de opleiding tot kleermaker in de loop der eeuwen. Zelf is hij opgeleid aan de vroegere kleermakersvakschool in Den Haag en bij L.G. Wilkinson in Savile Row, Londen. Hij is de laatste kleermakende Van der Steur, want zijn kinderen hebben er geen zin in om in zijn voetsporen te treden. Zij volgen beide een universitaire opleiding. Als het meezit zijn ze in vier jaar klaar en dat is twee tot vier jaar sneller dan wanneer ze een breed opgeleide kleermaker hadden willen worden. Breed opgeleid betekent voor een kleermaker dat hij niet alleen jassen, broeken, vesten, overjassen, smokings, rokkostuums en jacquets kan maken, maar ook jachtkleding, rij-kleding, golfkleding en livreien voor de butlers en chauffeurs van de maatkledingklanten.

J. H. Domhoff uit Heemstede heeft wel een opvolger. Hij werkt samen met zijn zoon Jan die een opleiding genoten heeft bij Henry Poole in Savile Row, de Londense straat waaraan vele vermaarde kleermakersbedrijven gevestigd zijn. Domhoff was tot de verkoop van het bedrijf, in 1965, eigenaar van de gelijknamige Amsterdamse kleermakerij. De beide Domhoffs noemen zich naar Engels voorbeeld "travelling tailors', maar eigenlijk werken ze niet als kleermakers want ze verkopen alleen maatconfectie. Ze hebben geen zaak, maar bezoeken hun klanten aan huis, meestal 's avonds en in het weekend. Domhoff senior gelooft dat er onbeperkte groeimogelijkheden in maatconfectie bestaan. “Iedere man die meer dan 75.000 gulden verdient, moet er behoorlijk uitzien in zijn werk. Het aanbod in confectiekleding is natuurlijk toch beperkt. Als je maatconfectie neemt, kun je kiezen uit honderden verschillende prachtige stoffen en kleuren. Bovendien heb je dan een pak dat meteen goed zit.”

Of een maatconfectiepak inderdaad meteen goed zit, hangt wel af van het vakmanschap van de verkoper. Wanneer het maatnemen niet goed gebeurt, wordt er een verkeerd pak geleverd, een "potje' zoals dat heet in de branche. Er zijn naar schatting 400 herenkledingzaken in Nederland waar men zich een maatconfectiepak kan laten aanmeten. Meestal is dat een service van de confectiefabrikanten van wie de winkeliers hun assortiment betrekken. Zulke maatconfectiepakken worden alleen gemaakt voor mensen die vanwege een lichamelijke afwijking als een bochel, hoge schouder of scheve heup niet in een standaardpak passen. Er wordt voor dergelijke pakken een meerprijs gerekend van tien tot dertig procent, afhankelijk van de aard van de aanpassingen.

Niet alleen in de maatconfectiepakken zit groei, er is ook een toenemende vraag naar ambachtelijke maatpakken. Bolderman krijgt er de laatste jaren circa twintig nieuwe klanten per jaar bij, onder wie veel jonge advocaten. Waar ze voor hun pakken naar toe moeten als hij ermee stopt, weet Bolderman niet. Hij verwacht dat er over een paar jaar in Nederland geen enkele kleermaker meer is die nog op traditioneel-ambachtelijke manier een maatpak maakt. Voor de mensen die het vak willen leren, zit er tegen die tijd niets anders op dan op "Wanderschaft' te gaan, zoals aankomende kleermakers eeuwenlang gedaan hebben, en een leerplaats te zoeken bij kleermakers in Frankrijk, Engeland of Duitsland.