“Als mijn schild gaat lekken, eekhoorn”, vroeg de ...

“Als mijn schild gaat lekken, eekhoorn”, vroeg de schildpad op een dag. “Wat dan?”

“Nou...” zei de eekhoorn. “Dan zien we wel weer. Het regent toch niet?”

“Nee, maar áls het gaat regenen en áls het dan lekt...”

“Je moet niet zo bezorgd zijn, schildpad”, zei de eekhoorn en klopte hem opbeurend op zijn schild.

De schildpad zuchtte.

“En als de grond onder mijn voeten verdwijnt”, zei hij, “dan hang ik in de lucht. En wat dan?”

Dat wist de eekhoorn ook niet. En hij wist ook niet hoe het verder moest als de schildpad opeens niet meer kon schuifelen of de hele dag moest jammeren tegen zijn zin.

“Als dat toch gebeurt, eekhoorn”, zei de schildpad wanhopig, “dat ik de hele dag moet jammeren...”

De eekhoorn probeerde zich dat voor te stellen en het leek hem niet leuk.

“Ben ik nu zwaarmoedig, eekhoorn?” vroeg de schildpad.

“Ja”, zei de eekhoorn, “volgens mij ben je nu zwaarmoedig.”

“O ja?” zei de schildpad en glimlachte verbaasd. “Ach, ik wist niet dat ik dat kon worden. Zo zo. Dus nu ben ik zwaarmoedig.”

Hij keek vrolijk om zich heen en maakte een geluid dat op knorren leek.

“Maar nu ben je het niet meer”, zei de eekhoorn.

“O nee?” vroeg de schildpad en zijn gezicht betrok.

“Nu weer wel.”

“O”, zei de schildpad. “Wat is zwaarmoedig ingewikkeld!”

Zorgelijk fronste hij zijn voorhoofd.

De eekhoorn zei dat het inderdaad heel ingewikkeld was en dat hij het nog nooit geworden was.

De schildpad glom van trots, maar hij zorgde er tegelijkertijd voor dat hij heel zorgelijk bleef kijken.