Wie verzorgt het onderwijs?

Het ministerie van onderwijs moet het geld voor onderwijsverzorging aan de scholen geven, zodat ze de vrije markt op kunnen gaan. Maar zijn scholen daarbij gebaat? De verzorgingsinstellingen vinden van niet.

P.N. Karstanje, De verzorgingsstructuur van het onderwijs. Uitgeverij Balans, 1991, ƒ 32,50. ISBN: 90 5018 133 3 Gee Janssen, Onderwijsverzorging - Wie betaalt en wie bepaalt. Een uitgave van het Katholiek Pedagogisch Centrum in Den Bosch, 1991, bestelnummer 9.400.01

Directeur G. Janssen van het Katholiek Pedagogisch Centrum had een vooruitziende blik toen hij eerder dit jaar een boekje wijdde aan de vraag of de onderwijsverzorging commercieel moet worden opgezet. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, door staatssecretaris Wallage verzocht om een advies over de toekomst van de onderwijsverzorging, liet gisteren weten er het spel van de vrije markt op los te willen laten. Het grootste deel van het geld dat nu rechtstreeks naar de drie pedagogische centra (een algemeen, een katholiek en een protestants-christelijk, kosten: 41 miljoen gulden voor 496 medewerkers) en naar de schoolbegeleidingsdiensten (90 miljoen) gaat, zou volgens de WRR aan de scholen moeten worden gegeven, zodat zij zelf kunnen bepalen wat ze willen: computertraining van de schoolbegeleidingsdienst of van die sympathieke knul die laatst dat prachtige foldermateriaal nog persoonlijk kwam toelichten ook.

In "Onderwijsverzorging - Wie betaalt en wie bepaalt' noemt Janssen het nog ""zeer de vraag of de financiering via de schoollijn de kwaliteit van de dienstverlening zal doen toenemen'', maar nu het advies van de WRR is uitgekomen drukt hij zich stelliger uit. ""Commercialisering van de onderwijsverzorging is echt heel slecht voor scholen.'' Op de tafel voor hem heeft hij intussen boek op boek gestapeld: uitgaven van de pedagogische centra over faalangst, pesten op school, hoogbegaafdheid, het imago van de school, strategisch beleid en nog veel meer. Bovenop ligt "Aanbesteed en uitgevoerd 1990', een 328 pagina's dik overzicht van de diensten en produkten die de pedagogische centra in dat jaar in opdracht van het ministerie van onderwijs hebben uitgevoerd. ""Als de onderwijsondersteuning commercieel wordt, verdwijnt een deel van deze uitgaven. In boeken over faalangst of pesten op school zit geen brood.''

En dat is nou precies wat de directeur van het Katholiek Pedagogisch Centrum zorgen baart: terwijl volgens de WRR de positie van scholen sterker wordt als zij het geld voor hun verzorging zelf in handen krijgen, wordt die volgens Janssen zwakker. Het KPC zélf heeft, zegt hij, niets te vrezen: dat wordt nu al "platgebeld' door scholen die ondersteuning willen, en zal dus alleen maar wel varen bij een situatie waarin de commercie de prijs bepaalt. Het bord dat onlangs naast de voordeur, onder dat van het KPC zelf is geschroefd, spreekt boekdelen: de "Kompaktgroep', een jonge, commerciële nevenorganisatie die onder meer diensten verleend aan bedrijfsopleidingen en hogescholen rekent ruim 900 gulden per dag voor een KPC-medewerker maar groeit onstuimig. ""Om het gewone werk niet in de knel te laten komen'' moest het aantal activiteiten zelfs worden beperkt.

In "Onderwijsverzorging - Wie bepaalt en wie betaalt' heeft Janssen onder titels als "kapitaalvernietiging', "kostenstijging' en "versnippering van middelen' op een rij gezet wat commercialisering van de onderwijsverzorging voor scholen zal betekenen. De kosten, zo rekent hij voor, zullen honderd procent stijgen als de pedagogische centra aan p.r. moeten gaan doen, een ondernemersrisico incalculeren en - natuurlijk - winst maken. Van hun kant zullen de scholen BTW moeten gaan betalen, een ""problematiek die niet mag worden onderschat''. Tegelijk betekent het verdelen van het geld van de pedagogische centra en de onderwijsbegeleidingsdiensten over de scholen dat elke school afzonderlijk een relatief gering bedrag zal ontvangen, dat wegens de grote versnippering bovendien niet meer doelmatig kan worden ingezet. Volgens de WRR zal een school met 200 leerlingen straks 23.000 gulden per jaar krijgen, en een met 500 leerlingen 57.500, maar dat is dan wel inclusief het geld voor nascholing en vernieuwing.

Vijf soorten

Versnippering, wat de WRR met zijn advies juist wil tegengaan, is een woord dat ook nu al vaak wordt gebruikt in beschouwingen over de Nederlandse onderwijsverzorging. De Wet op de Onderwijsverzorging die in 1995 afloopt en waarvan de WRR gisteren heeft gezegd dat ze maar beter kan verdwijnen, onderscheidt vijf soorten verzorgingsinstellingen, verdeeld in twee groepen: de "algemene' instellingen, die de scholen zelf ondersteunen en "van alle markten thuis zijn', en de "specifieke': het Cito voor toetsontwikkeling (24,3 miljoen, 344 medewerkers), de SLO voor leerplanontwikkeling (35 miljoen, 308 medewerkers) en de SVO voor onderwijsonderzoek (23,8 miljoen, 50 vaste medewerkers en verder veel op contractbasis).

Voor 1,6 procent van de begroting voor het basis-, het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs ondersteunen de verzorgingsinstellingen dit onderwijs op pedagogisch, didactisch, vakinhoudelijk, psychologisch en schoolorganisatorisch gebied, en in het geval van onderwijskundige vernieuwingen. Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld schoolbegeleidingsdiensten - die overigens als enige alleen het basis- en speciaal onderwijs ondersteunen - moeilijke leerlingen testen en begeleiden, helpen bij het maken van een schoolwerkplan of cursussen "onderwijskundig management' geven, ontwikkeld door de pedagogische centra. Deze laatsten hebben vooral landelijke taken, op het ogenblik zijn ze druk bezig met het uitwerken van de vijftien vakken van de basisvorming, keurig verdeeld over Amsterdam (APS), Hoevelaken (CPS) en Den Bosch (KPC).

Natuurlijk bestaat ook in andere Westerse landen onderwijsverzorging, maar vaak zijn daar de taken van wat in Nederland de specifieke instellingen heet verenigd, of worden die van de algemene instellingen verzorgd door bijvoorbeeld besturenorganisaties. In het bijna gelijktijdig met het advies van de WRR verschenen boek "De verzorgingsstructuur van het onderwijs' noemt P. Karstanje, hoofddocent onderwijsbeleid aan de Universiteit van Amsterdam, de Nederlandse situatie "uniek'. Zoals vaker in het onderwijs is de verzuiling de verklaring.

De drie pedagogische centra bijvoorbeeld, zijn ter ondersteuning van de leden-leraren ontstaan uit de verschillende vakbonden en besturenorganisaties, en dus als het ware "uit de aard der zaak' verzuild. De "professionele verzuiling' van Cito, SLO en SVO had onder meer te maken met de onoplosbare kwestie of zij bij een confessionele of een niet-confessionele universiteit ondergebracht moesten worden. Uiteindelijk gaan ze alledrie zelfstandig door het leven, zij het met een bestuur waarin alle zuilen zijn vertegenwoordigd.

Hiermee zijn alleen de ruim zestig schoolbegeleidingsdiensten niet verzuild, en in tegenstelling tot Janssen van het KPC is directeur R. Gorter van de Vereniging van Onderwijsbegeleidingsdiensten wél verbaasd over het WRR-advies. Want hij ziet het al voor zich: de besturenorganisaties zullen, als het advies wordt overgenomen, de bij hen aangesloten scholen aanraden hun geld voor onderwijsverzorging bij elkaar te leggen, om zo een goede, maar zuilsgebonden verzorging zeker te stellen. En dat kan toch niet de bedoeling van de staatssecretaris zijn? ""Als Wallage niet uitkijkt, krijgt hij over een paar jaar de Grote Prijs voor de Herzuiling van Nederland'', zegt Gorter. Ook hij heeft in "Onderwijsverzorging - Wie betaalt en wie bepaalt' conclusie nummer vier gelezen, die luidt dat als ""financiering van de onderwijsverzorging via de schoollijn'' doorgaat, ""het georganiseerd katholiek onderwijs het beste ernaar kan streven de verzorgingsgelden te poolen en de eigen verzorgingsvoorziening verder uit te bouwen''.

De schoolbegeleidingsdiensten (ook wel onderwijsbegeleidingsdiensten, schooladviesdiensten of schooladviescentra genoemd) worden voor de helft door het rijk en voor de andere helft (of ten minste dertig procent van het bedrag dat het rijk uitkeert) door de gemeenten betaald, met als voornaamste reden dat ze tot stand zijn gekomen op initiatief van gemeenten die na de Tweede Wereldoorlog het onderwijs wilden vernieuwen of kinderen in achterstandssituaties helpen. Momenteel werken bij de schoolbegeleidingsdiensten 3.000 mensen (waarvan ruim de helft part-time), en krijgen zij van de gemeenten in totaal 93 miljoen gulden bovenop de rijksbijdrage van 90 miljoen.

Alles op z'n kop

De Vereniging van Onderwijsbegeleidingsdiensten heeft inmiddels een "voorlopige reactie' op het WRR-advies uitgebracht, waarin erop wordt gewezen dat scholen ondanks de wettelijke mogelijkheid daartoe nooit kiezen voor een andere schoolbegeleidingsdienst, dat de inspectie lovend is en dat de diensten nadenken over schaalvergroting, ""om zoveel mogelijk deskundigheid aan de scholen aan te kunnen bieden''. Dus directeur Gorter snapt eerlijk gezegd niet waarom alles nu op z'n kop moet worden gezet. Bovendien: als de plannen van de WRR doorgaan zullen de probleemscholen straks het onderspit delven, omdat zij niet zoals nu extra aandacht van hun schoolbegeleidingsdienst zullen krijgen, en zij bij de invoering van jaarverslagen - die de WRR voorstelt om te controleren of scholen hun extra geld wel goed gebruiken - lelijk uit de toon zullen vallen.

Zowel Gorter als Janssen voelen nog het meest voor de variant - die de WRR ook aandraagt, maar verder niet uitwerkt - dat de Wet op de Onderwijsverzorging blijft bestaan, maar dan in aangepaste vorm. Schoolbegeleidingsdiensten zouden in dat geval ook voor het voortgezet onderwijs moeten gaan werken, de specifieke verzorgingsinstellingen zouden opengesteld moeten worden voor de vragen van scholen in plaats van alleen maar voor die van organisaties, en scholen zouden - inderdaad - een klein deel van het geld voor onderwijsverzorging zelf in handen moeten krijgen, al was het maar, zoals Janssen zegt, ""om eens een fles jenever te kopen, want dat kan ook helpen als je als school in de problemen zit''.

Op zijn school voor protestants-christelijk MEAO in Utrecht schudt directeur L. Lenssen lachend het hoofd als hij hoort dat de verzorgingsinstellingen niet voor zichzelf, maar voor de scholen opkomen. ""Als mensen dat doen, moet je heel wantrouwend worden'', zegt hij er meteen, serieus nu achteraan. ""Dan behartigen ze júist hun eigen belangen.'' Tegelijk met de schaalvergroting van de afgelopen jaren heeft het middelbaar beroepsonderwijs de eigen onderwijsverzorging ter hand genomen, onder meer door de sector-organisaties uit contributie-gelden en met steun van het ministerie een systeem van ondersteuning op te laten zetten. De school van Lenssen heeft onlangs, uit de reguliere formatie, een onderwijskundige aangesteld om de nieuwe korte opleidingen vorm te geven.

Zelf heeft Lenssen niets op pedagogische centra tegen, zijn school roept met enige regelmaat hun hulp in. ""Al kost dat dan wel bijna duizend gulden per dag, want als hun reguliere programma vol zit moeten we de commerciële prijs betalen.'' Maar het gaat hem om het principe: het aanbod is niet slecht, maar het ligt vast en ""we weten niet of het ook beter zou kunnen zijn''. Hij denkt dat in ieder geval scholen voor voortgezet onderwijs, die immers ook steeds groter worden, net als het middelbaar beroepsonderwijs heel goed in staat zijn hun eigen verzorging te kopen.

Alleen is het volgens Lenssen, als lid van het ministerieel Overleg Orgaan Voortgezet Onderwijs een deskundige in de haken en ogen van het bestuurlijk circuit, de vraag of dat laatste zal gebeuren, of dat er alleen maar, zoals de WRR in de alternatieve variant voorstelt, in de Wet op de Onderwijsverzorging een uitzonderingspositie voor het middelbaar beroepsonderwijs zal komen. ""Waar het bij dit advies in feite om gaat, is of de verzuiling kan worden opengebroken. Die wordt nu nog voor een groot deel door de verzuilde verzorgingsstructuur in stand gehouden. Maar zal Wallage voor een luttele 200 miljoen gulden een nieuwe schoolstrijd aan willen gaan?''