Verzwakte natie-staat doet nationalistische reflexen ontstaan

In brede kring wordt de uitslag van de Top in Maastricht als teleurstellend ervaren omdat de ambitieuze plannen om tot een Politieke Unie te komen slechts voor een deel zijn aanvaard.

Het is de vraag of die teleurstelling terecht is. De Westeuropese natie-staten zouden als gevolg daarvan immers op afzienbare termijn aanzienlijk zijn verzwakt. Dat zou ertoe kunnen leiden dat staten een aantal van hun traditionele taken (veiligheid, orde, stabiliteit) niet meer goed zouden kunnen vervullen. Dat is een griezelige gedachte, vooral als het gaat om hun stabiliteit- en consensusbevorderende functies. Het is zeer de vraag of een nieuwe centrale Europese instantie die taken op adequate wijze van de natie-staat over kan nemen. Deze ontwikkeling vindt bovendien plaats op een moment dat de nationaal-statelijke sociale en politieke ordes in West-Europa door een aantal ernstige problemen onder grote druk komen te staan.

De ontwikkelingen in de Europese Gemeenschap zijn geen uitzondering. De verzwakking van de staat, zowel naar binnen (bijvoorbeeld privatisering) als naar buiten, is een van de meest kenmerkende aspecten van het tijdperk waarin wij leven. Overal in de wereld worden staten gedwongen zich open te stellen en zich aan te passen aan de internationale economische en politieke verhoudingen. Dit leidt veelal tot herschikking van statelijke bevoegdheden, of zelfs tot de liquidatie van statelijke organisaties. In maatschappijen die tot voor kort werden beheerst door dictatuur kan die ontwikkeling worden toegejuicht. Het openbreken van die samenlevingen kan vooralsnog worden beschouwd als een stap in democratische richting, althans in de hoop dat zich geen nieuwe vormen van repressie zullen vormen.

In West-Europa impliceert verzwakking van de natie-staat echter een beperking van de gangbare mogelijkheden tot politieke meningsvorming, besluitvorming en belangenbehartiging. Die beperking zou ertoe kunnen leiden dat de maatschappelijke betrokkenheid bij de bestaande politieke orde geringer wordt en dat daarmee de consensus over de belangrijkste politieke en sociale grondregels vermindert.

Het ligt niet voor de hand dat de Europese instellingen de in het geding zijnde functies op korte termijn over zouden kunnen nemen. Democratische legitimiteit kan niet bij decreet worden afgeroepen. Parlementaire democratie is heel wat meer dan het instellen van een (Europees) parlement en het regelmatig houden van (Europese) verkiezingen. De basis van een functionerend parlementair-democratisch stelsel bestaat uit een veelvoud van sociale en culturele evenwichten, die voorkomen dat een aanzienlijk deel van de bevolking zich permanent buitengesloten voelt.

Het heeft lang geduurd voordat in Nederland, alsook in andere Westeuropese maatschappijen, de grote contemporaine sociale en culturele tegenstellingen op een zodanige wijze beheersbaar werden gemaakt dat het overgrote deel van de bevolking de bestaande politieke orde als legitiem ervaart. De stabiliserende taak van de natie-staat is nooit voltooid. Evenwichten kunnen wankel blijken te zijn. Bovendien zullen zich steeds nieuwe problemen en nieuwe sociale categorieën (bijvoorbeeld migranten) aandienen die vragen om erkenning.

De maatschappelijke evenwichten die aan geregelde parlementair-democratische relaties ten grondslag liggen, verschillen per Westeuropees land nog steeds aanzienlijk. De economische integratie binnen de EG heeft die verschillen geenszins op kunnen heffen. Het is de vraag of het mogelijk (en wenselijk) is die verschillen op afzienbare termijn weg te nemen zodanig dat een in brede kring als legitiem ervaren Europese sociaal-economische en culturele politiek zou kunnen worden gevoerd.

Het perspectief van sociale en politieke gelijkschakeling roept in verschillende Westeuropese landen, vooral in Engeland, een nationalistische reflex op, erop gericht de eigen identiteit te handhaven. In Nederland heeft deze reflex tot nu toe slechts vorm gekregen in beschaafde pleidooien de Nederlandse taal en cultuur te verdedigen in het nieuwe Europa - liefst in samenwerking met de Vlamingen (hoewel die coalitie na de recente verkiezingen wellicht minder aantrekkelijk is geworden).

Deze reflex dreigt de desintegratie van de Westeuropese maatschappijen eerder te versnellen dan te verzwakken. Die maatschappijen zijn pluriform en heterogeen. Het verdedigen van het culturele erfgoed kan de maatschappelijke verdeeldheid doen toenemen en de veelal wankele sociale en culturele evenwichten verder verstoren. Er zijn immers altijd verschillende identiteiten en erfgoeden in het geding. Het verzwakken van de natie-staat als het op het eerste gezicht daartegen gerichte versterken van de cultureel-etnische identiteit kunnen elkaar op een onaangename wijze versterken. In het nieuwe Europa zijn de Vlamingen nog meer Vlaming, en nog minder Belg.

De verzwakking van de natie-staat vindt plaats in een periode waarin zich enorme problemen aandienen in de Westeuropese maatschappijen. De slechting van de economische grenzen ("1992') zal die maatschappijen onder druk zetten, omdat het kan leiden tot een soms bruuske herschikking van bestaande economische patronen. Maar er is veel meer. De ineenstorting van het Oostblok dwingt de Westeuropese landen tot actief optreden en het verlenen van omvangrijke steun aan de voormalige socialistische landen, die zich alle in een erbarmelijke en gevaarlijke toestand bevinden. Die noodzakelijke steun zal niet gemakkelijk zijn op te brengen, maar moet desondanks toch worden gerealiseerd. Omvangrijke migratiestromen zijn een onvermijdelijk produkt van de chaos in Oost-Europa. Ook dat vereist een maximale inspanning van de Westeuropese maatschappijen, daarbij zeer gehinderd door het optreden van extreem rechts.

Deze taken en problemen vereisen een omzichtig maar welbewust optreden van de nationaal-statelijke overheden. De nationale politieke stelsels dreigen evenwel aan betekenis te verliezen. De verontrustende contradictie van de huidige situatie is derhalve dat in een fase waarin een maximaal beroep op de nationaal-statelijke instellingen en op het maatschappelijke incasseringsvermogen zal moeten worden gedaan, de mogelijkheden daartoe geringer lijken te worden.

Er valt heel wat te zeggen voor de stelling dat, onder erkenning van de realiteit van economische integratie, het zwaartepunt van politieke activiteit in West-Europa binnen de natie-staat moet blijven liggen. Degenen die desondanks voorstander zijn van een snelle verdergaande overdracht van nationaal-statelijke soevereiniteit aan de centrale Europese instanties, nemen een grote verantwoordelijkheid op zich.