Stress in het EMS

Positieve voorspellingen en steeds weer tegenvallende feiten. De Amerikaanse economie wil maar niet op gang komen. Ondanks een serie renteverlagingen lukt het de Federal Reserve Bank (Fed), de Amerikaanse centrale bank, niet om de vaart er in te krijgen. Door het lenen van geld goedkoper te maken zouden Amerikaanse consumenten en producenten meer gaan kopen. Die toegenomen bestedingen zouden dan weer een grotere produktie en een daling van de werkloosheid veroorzaken. Zo redeneerde de Fed. Maandenlang lieten beleggers zich in slaap sussen. Zij bleven hun spaargeld in dollars steken en de dollarkoers bleef hoog. Maar een paar weken geleden werden zij wakker.

Beleggers houden de dollar voor gezien en wijken uit naar de Duitse mark. De extra vraag naar marken duwt de koers van die munt omhoog. En die koersstijging brengt de andere Europese landen die samen met Duitsland in het Europees Monetair Stelsel (EMS) zitten in de problemen. Die landen hebben met elkaar afgesproken dat de internationale prijs van hun valuta maar een klein beetje mag afwijken van een vastgestelde koers, de spilkoers. Voor bij voorbeeld het Britse pond geldt ten opzichte van de Duitse mark een spilkoers van DM 2,950. Goedkoper dan DM 2,778 en duurder dan DM 3,132 mag het pond niet worden. Dreigt dat toch te gebeuren, dan moet de Bank of England, de Britse centrale bank, ingrijpen. Het belangrijkste instrument waarover de centrale banken beschikken is de rente. Door de Britse rente te verhogen wordt beleggen in ponden aantrekkelijker. De vraag van beleggers neemt toe en de koers van het pond stijgt.

Volgens de spelregels van het EMS moet de Bank of England de koersstijging van de Duitse mark dus beantwoorden met een renteverhoging. Maar dat komt de Britten erg slecht uit. Voor hun economie was 1991 een belabberd jaar. Het nationaal produkt is ten opzichte van vorig jaar gedaald met ruim twee procent. En bijna negen procent van de beroepsbevolking is werkloos. Nu de Britse economie op weg lijkt naar een bescheiden herstel is een renteverhoging wel het laatste dat ze kunnen gebruiken. Duurder krediet zet een rem op de kooplust van Britse consumenten en producenten. Zo wordt de opleving van de economie in de kiem gesmoord.

Maar kan Duitsland de Britten niet een handje helpen? Als de Bundesbank de Duitse rente nu eens een beetje zou verlagen. Dan zou de internationale vraag naar marken iets kleiner worden en het pond zou minder moeite hebben in de pas te blijven met de Duitse mark. Een Britse rentestijging kan dan achterwege blijven.

Daar voelen ze in Duitsland helemaal niets voor. Duitsland heeft zijn eigen binnenlandse problemen. De Duitse overheid pompt miljarden marken in de nieuwe deelstaten. Voor het grootste deel worden die uitgaven niet betaald uit belastingen, maar uit leningen. Dat betekent een flinke bestedingsimpuls voor de Duitse economie. Een bestedingsimpuls die gemakkelijk kan leiden tot hogere prijzen. Om de bestedingen en daarmee de prijsinflatie onder de duim te houden, maakt de Bundesbank het lenen van geld duur. In de nabije toekomst moet dan ook eerder op een verhoging dan op een verlaging van de Duitse rente worden gerekend.

Als het Britse pond onder druk blijft staan en de Bank of England weigert de rente te verhogen, is er nog maar één mogelijkheid. Blijkbaar is de afgesproken spilkoers van het pond (¢8 1,- = DM 2,950) te hoog gegrepen. Tegen die prijs zijn te weinig beleggers in het pond geïnteresseerd. Een devaluatie van het pond, een verlaging van de spilkoers, kan uitkomst brengen. Helemaal probleemloos is zo'n devaluatie overigens niet. Zulke koersaanpassingen zijn in strijd met het EMS-principe van wisselkoersstabiliteit. Dat argument geldt nog sterker nu Europa streeft naar een monetaire unie met één gemeenschappelijke munt. En ook voor Groot-Brittannië zelf zijn er nadelen. In de eerste plaats betekent een goedkoper pond dat de Britten meer ponden moeten neertellen voor het importeren van produkten. De invoer wordt duurder. En die hogere invoerprijzen werken door in het prijspeil. Kortom: de prijsinflatie in Groot-Brittannië neemt toe. Uit de twee kwaden - prijsinflatie en werkloosheid - kiezen de Britten daarmee voor het eerstgenoemde. In de tweede plaats levert een devaluatie van het pond prestigeverlies op voor de regering van John Major. En dat met de verkiezingen in zicht... Misschien dat Duitsland de Britten wat dat laatste betreft een beetje terwille kan zijn. In plaats van een devaluatie van het pond, kan ook een revaluatie van de Duitse mark uitkomst brengen. Dat komt weliswaar op hetzelfde neer, maar "Duitse mark revalueert' kopt toch heel wat minder verontrustend in de Daily Mirror dan "Pond devalueert'.