Rhesusantagonisme al tijdens zwangerschap bestrijden

Vrouwen met "rhesusnegatief' bloed zouden al tijdens de zwangerschap moeten worden ingeënt tegen de rhesusfactor.

Dat zegt Bob van Dijk die vorige week promoveerde aan de Rijkuniversiteit Leiden op een onderzoek naar het rhesusantagonisme.

Bloedgroepen bestaan niet alleen uit A, B, AB en 0, maar worden ook onderscheiden naar rhesuspositief en -negatief (genoemd naar de rhesusaap waarbij het onderzoek aanvankelijk plaatsvond). Bij bloedtransfusies moet men daar goed rekening mee houden, omdat de beide bloedgroepen elkaar niet verdragen. De rhesusfactor is overerfbaar. Een rhesuspositieve vader kan die eigenschap overdragen op zijn kind, terwijl de moeder rhesusnegatief kan zijn.

Bij een ongeboren rhesuspositief kind kunnen de rode bloedcellen door rhesusantistoffen van de rhesusnegatieve moeder worden afgebroken, wat kan leiden tot ernstige afwijkingen en zelfs vroegtijdige dood. Dergelijke rhesusantistoffen zijn er alleen als de moeder eerder met rhesuspositief bloed in aanraking is geweest, meestal van een vorig kind.

De prikkel tot de vorming van rhesusantistoffen kan de lekkage zijn van een kleine hoeveelheid bloed van de foetus tijdens de zwangerschap naar de bloedsomloop van de moeder. Bij een volgende zwangerschap kunnen deze moederlijke rhesusantistoffen dan via de moederkoek doordringen in het bloed van het ongeboren kind.

Sinds 1969 probeert men dit "rhesusantagonisme' te voorkomen door rhesusnegatieve vrouwen die een rhesuspositief kind baren, kort na de geboorte een injectie toe te dienen met antirhesus-immunoglobulinen. Hiermee worden bloedcellen van het kind die tijdens de bevalling in de bloedbaan van de moeder terecht zijn gekomen, vernietigd voordat de moeder zelf antistoffen kan vormen. Dankzij deze behandeling is het aantal gevallen van rhesusantagonisme gedaald van 3,6 procent in 1969 naar 0,6 procent nu.

Geheel verdwenen is het probleem dus nog niet. Uit de analyse van de landelijke gegevens uit de periode 1983 tot 1987 blijkt dat er zich jaarlijks toch nog rond de 160 gevallen voordoen. Dit komt vooral voor bij het nalaten van maatregelen na een spontane abortus, na een doodgeboorte en ook bij vrouwen uit niet-westerse landen.

Voor een deel is dit door een consequenter preventief beleid te voorkomen. Toch blijft de oorzaak in een groot aantal gevallen onduidelijk. Vermoedelijk zijn die het gevolg van kleine bloedlekken eerder in de zwangerschap. De moeder vormt dan al tijdens de zwangerschap antistoffen. Van Dijk pleit er daarom voor om al tijdens de 28ste zwangerschapsweek een extra-injectie met antirhesusimmunoglobuline toe te dienen. Daarmee zou ongeveer 80% van de huidige gevallen kunnen worden uitgebannen.

Een probleem daarbij is wel de beperkte beschikbaarheid van het immunoglobuline-preparaat. Dat wordt verkregen door vrijwilligers te immuniseren met de rhesusfactor. Van Dijk pleit voor een soort actie "Rhesusmoeders voor rhesusmoeders'. Ex-rhesusmoeders hebben vaak nog sterke rhesusantistoffen die tot het preparaat kunnen worden opgewerkt. Dan is het tekort zo verdwenen.