Regeringscommissaris NBW ziet werk na 26 jaar voltooid; De zure arbeid van mr. Snijders

DEN HAAG, 12 DEC. Ruim 26 jaar heeft hij er als regeringscommissaris aan gewerkt. In de oudejaarsnacht treden ze in werking: de boeken 3, 5, 6 en een stuk van boek 7 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW), waarmee de grootste naoorlogse wetgevingsoperatie is voltooid. Toch is aan niets te merken dat mr. W. Snijders, tevens vice-president van de Hoge Raad, deze maand zijn finest hour beleeft.

“Wat ik op oudjaar ga doen? Geen flauw benul. Als uw vraag erop gericht is of ik dan aan het NBW ga zitten denken, dan is het antwoord neen. U moet ook niet denken dat mijn belangstelling alleen maar uitgaat naar deze juridische dingen.”

Snijders beschrijft de ontstaansgeschiedenis van het nieuwe wetboek als een in de loop der jaren steeds verder uitdijend project. Aanvankelijk kon niemand bevroeden dat de voltooiing uiteindelijk bijna vijftig jaar zou duren.

“Er was na de oorlog een algemene stemming van vernieuwing, ook in het recht. Dus ging men onderzoeken welk wetboek men zou aanpakken. Dat is afhankelijk geweest van vrij incidententele factoren. Het zou niet verbazingwekkend geweest zijn als men bij een ander wetboek begonnen was want die zijn immers ook verouderd. Maar men begon in 1947 met prof. E.M. Meijers de opdracht te geven het NBW aan te pakken. De gedachte was: we hebben een groot jurist, hij is daarvoor dé man. Meijers is, nadat hij alles in concept gereed had, overleden. Toen ontstond ook het besef dat dit geen eenmansklus was. Hij werd dan ook opgevolgd door een driemanschap”.

In 1965 werd Snijders - toen rechter in Rotterdam - door mr. G.E. Langemeijer aangetrokken als medewerker aan het NBW. Vanaf 1971 stond Snijders alleen aan het hoofd van een groepje van drie ,soms vier juristen dat de wetgevingsoperatie verder uitvoerde. Een omvangrijke juridische klus die door voortdurend overleg met onder anderen advocaten, rechters, verzekeraars en deurwaarders in het geheel geen eenzame bezigheid was, verzekert hij.''

Wat was het doel van het overleg met al die beroepsgroepen?

“Praktisch alles was al in voorontwerp van Meijers klaar. De bedoeling was te zorgen die conceptwetgeving zo te maken dat het door de praktijk werd aanvaard en ook meer antwoord gaf op waar de praktijk behoefte aan had.”

Tegenstanders van hercodificatie stellen dat het een vrij nutteloze operatie is omdat de realiteit nauwelijks valt bij te benen. Rechtsvorming zou het best via jurisprudentie kunnen gebeuren.

“Wat heb je nu nodig: een wetboek uit 1838 of een wetboek dat gebaseerd is op wat nu in de maatschappij leeft? Rechtspraakrecht moet je in het verlengde van een wetboek zien. Het vinden van een juiste oplossing bij wetgeving is altijd het vinden van een evenwicht tussen datgene vastleggen waaraan nu behoefte is en datgene wat je beter met het oog op toekomstige ontwikkelingen kunt overlaten aan de rechtspraktijk. Zo'n oude codificate is hinderlijk, bijvoorbeeld omdat er verouderde artikelen zijn die je niet helemaal kunt veronachtzamen en waar de rechter dan maar wat van moet maken in rechtspraak. En wel zoals rechtspraak werkt: te hooi en te gras. Naarmate er eens een keer over geprocedeerd wordt. Op een gegeven moment heb je behoefte aan een algemeen overzicht van wat zich leent voor wetgeving.”

Dacht u nooit: waar ben ik aan begonnen?

“Neen. Ten dele was het leuk maar ten dele ook zure arbeid. Het komt neer op keurig uitplussen en zorgen dat je het ondubbelzinnig regelt als je iets goeds bedacht hebt.”

Kwam u vaak handenwrijvend thuis als u weer eens een mooi wetsartikel had gemaakt?

“Dat soort overwegingen passen niet bij dit werk. (lange stilte) Het is nuttig geweest voor de rechtspraktijk. Het NBW heeft als motor voor de rechtsontwikkeling gefungeerd. Het is moeilijk je voor te stellen wat er gebeurd zou zijn in ons recht als dit werk er niet geweest was.”

Hebt u nu al spijt van sommige bepalingen omdat ze gedateerd zijn?

“Het is niet zo zeer een kwestie van gedateerd zijn maar het is natuurlijk altijd denkbaar dat je in sommige gevallen blijft aarzelen of je de knoop op de juiste manier hebt doorgehakt. Zo is over gestolen goed verschrikkelijk gehakketakt. Wat gebeurt er nou als iemand een gestolen zaak koopt die wordt opgeëist door de oorspronkelijke eigenaar. Er is in zo'n geval altijd iemand de dupe. De bestolene of de man die te goeder trouw iets heeft gekocht van een dief. Hoe moet je dat nou oplossen? Een poos lang hebben we de oplossing gehad - die dus niet geldend recht wordt - dat je als te goeder trouw koper gestolen goed nooit hoeft terug te geven maar hoogstens een schadevergoeding moet betalen aan de bestolene, conform de gedachtegang je moet zo min mogelijk overhoop halen. Uiteindelijk is het nu zo dat er niet erg veel veranderd is ten opzichte van het oude wetboek. Als het een gestolen goed is moet je het teruggeven. Maar dat hoeft niet als je kunt zeggen dat je het in de gewone handel hebt gekocht. Dat laatste is nieuw.”

Hoe is dat dan gegaan? Consulteert u de minister in zo'n geval?

“Korthals Altes heeft zich er hevig mee bemoeid omdat hij grote bezwaren had tegen mijn oorspronkelijke optie vanuit het gezichtspunt van criminaliteitsbestrijding.”

Bemoeiden alle ministers zich even intensief met uw werk?

“Dat was heel verschillend. Sommigen waren vertrouwd met burgerlijk recht, anderen niet. De bijdrage van strafrechtman Van Agt was natuurlijk klein. Die van Polak was groot, dat was een snelle geest die thuis was in de materie.”

Zijn er bepalingen waar u de minister over consulteerde omdat u verwachtte dat een bepaald artikel politiek gevoelig zou zijn?

“Dat probleem bestaat niet in het burgerlijk recht. Zelfs een materie waar het bedrijfsleven zich hevig bij betrokken voelde zoals de algemene voorwaarden, daar is eigenlijk geen duidelijke politieke discussie over geweest. We voeren wel een discussie met de Kamer maar niet zo van: daar staan de linkse of rechtse partijen te praten.”

Is uw politieke gezindheid ooit getoetst?

“Nee. Men heeft mij uitgekozen omdat men iemand met passende juridische kennis en ervaring zocht. Bij alle mensen die aan nieuwe wetgeving hebben gewerkt, vindt u daar zelden politiek geprononceerde figuren. Als u mij vraagt wat mijn partij is dan zeg ik: ik ben een floating voter.”

Was u tevreden over de kwaliteit van de parlementaire behandeling van uw werk?

“Van die parlementaire behandeling merkte je niks in plenaire debatten in de Kamer. De discussie had plaats in de schriftelijke stukken die daaraan vooraf gingen. De kwaliteit daarvan was heel hoog want de Kamer had bijstand van bijzondere griffiers. Die griffiers droegen het materiaal aan en ploegden de literatuur door. Zij stelden de vragen en dan begrijpt u wel dat de vragen die zij stelden bijna altijd door de Kamerleden werden overgenomen.”

Hoe is het om als lid van de Hoge Raad te oordelen over de interpretatie van de door u zelf gemaakte artikelen. Krijgt u altijd gelijk, of zeggen de andere raadsheren wel eens: Snijders wat heb je er nu weer van gebrouwen?

(Lacht) “Dat zou kunnen, maar nu vraagt u naar het geheim van de raadkamer. In het algemeen is het een voordeel dat je aan de wet hebt gewerkt bij het oordelen. Maar u begrijpt wel dat iedereen zijn eigen mening heeft als je met zijn vijven zit. Als u echter denkt dat mijn stem de doorslag geeft dan hebt u het mis”.

Een door Ria Bremer en de president van de Haagse rechtbank Bert van Delden te presenteren televisieprogramma moet in januari een van de hoogtepunten worden van de Nationale Week van het Recht. De op 23 januari op prime time door de AVRO geplande televisieshow is onderdeel van een manifestatie die de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) luister bij moet zetten.

Op 1 januari 1992 treden de boeken 3, 5, 6 en 7 van het NBW in werking. Aan de hercodificatie van de uit 1838 stammende bepalingen op de terreinen van het vermogensrecht, zakelijke rechten, verbintenissenrecht en bijzondere overeenkomsten is sinds 1947 gewerkt. Eerder traden al in werking boek 1 (familierecht, 1970), boek 2 (rechtspersonenrecht, 1976) en boek 8 (vervoersrecht, 1991). Boek 4 (erfrecht) moet over enige jaren worden ingevoerd.

“Een prachtige gelegenheid dus voor een publieksmanifestatie waarbij we de mensen van dichtbij laten snuffelen aan het rechtsbedrijf”, zegt mr. M. de Leeuw namens de Orde van Advocaten. De Orde, het ministerie van justitie en de Koninklijke Notariële Broederschap hebben ieder twee ton gelapt om een week lang reclame te maken voor de juridische beroepsgroep.

Rechtbanken, advocaten- en notariskantoren zullen op zaterdag 25 januari in alle negentien arrondissementen voor het publiek worden opengesteld. Lezingen seminars, gastlessen, gratis spreekuren en een enkel advocatencabaret zijn de overige ingrediënten van de Week van het Recht die duurt van 21 tot en met 25 januari.