Machtsdeling dient zowel ANC als Nationale Partij

"We wish you interesting times'! Zo luidt een bekende Chinese vervloeking.

Hiermee worden tijden vol spanning en conflict bedoeld. En dat zijn in het Chinese harmonie-denken slechte tijden. In deze zin beleeft Zuid-Afrika al jarenlang interessante tijden en dat zal nog wel even zo blijven. Door zijn feodaal-koloniale apartheidsysteem heeft dit land jarenlang de aansluiting gemist met de politieke ontwikkeling elders in de wereld. Maar nu is dit land bezig in versneld tempo zijn politieke achterstand in te halen. De grondwetsonderhandelingen die op 20 december beginnen, zijn hierbij van beslissende betekenis. Na de in april 1991 gepubliceerde constitutionele voorstellen van het ANC heeft ook de Nationale Partij (NP) inmiddels tamelijk uitgewerkte voorstellen ter tafel gebracht. Opvallend daarin is een zeer geprononceerde uitwerking van de pacificatie-democratie zoals die door A. Lijphart is geconcipieerd op basis van de politieke ontwikkeling in ons land en door hem ook aanbevolen voor Zuid-Afrika.

De NP streeft naar een nieuw grondwettelijk bestel met algemeen kiesrecht, maar zonder politieke overheersing van één der partijen. Zij tracht dit te bereiken langs twee wegen: door een sterk gedecentraliseerd staatsbestel dat federale trekken vertoont doordat de negen in te stellen regio's en de gemeenten over oorspronkelijke, grondwettelijk gewaarborgde wetgevende, bestuurlijke en fiscale bevoegdheden beschikken; en door een regeerstelsel met een Twee Kamer-parlement en een collectief presidentschap dat een zeer vergaande vorm van minderheden bescherming impliceert. Naast de Eerste Kamer, die gekozen wordt via evenredige vertegenwoordiging voor de regio's, die daarin ongeacht hun grootte een gelijk aantal zetels hebben, die op voet van gelijkheid worden verdeeld over de partijen in de regionale parlementen met meer dan tien procent van de stemmen. Die Kamer beschikt niet alleen over een vetorecht bij alle besluiten van de Eerste Kamer, maar beslist bovendien over besluiten over regionale en minderheidsbelangen met gekwalificeerde meerderheid, terwijl zij tevens het initiatiefrecht heeft voor onderwerpen die op die belangen betrekking hebben.

In het collectieve presidentschap dat als staats- en regeringshoofd fungeert, hebben de leiders van de drie grootste partijen in de Eerste Kamer zitting, rouleert het voorzitterschap en geschiedt de besluitvorming op basis van consensus. Het presidentschap kan alleen in zijn geheel door het parlement met een motie van wantrouwen ten val worden gebracht. Het meerpartijenkabinet dat het presidentiële beleid uitvoert, kan ook met zo'n motie ten val worden gebracht en bovendien de individuele leden ervan. Al bij al een bijzonder mengsel van elementen uit het conventionele (Zwitserse), parlementaire en presidentiële stelsel. Men kan zich afvragen, of een regeerstelsel met zoveel "checks and balances' ter bescherming van minderheden wel kan functioneren. Overtrekt men niet de reguleringsmogelijkheden van een grondwet door daarin een verplicht coalitie- en consensusmodel op te nemen? De NP benadrukt voorts heel sterk de autonomie van het sterk gedifferentieerde maatschappelijke middenveld, hetgeen eveneens geheel in de lijn ligt van het model der pacificatiedemocratie.

Het ANC heeft uiteraard afwijzend gereageerd op deze voorstellen met hun vergaande minderhedenbescherming. Maar er is toch al over veel meer belangrijke constitutionele uitgangspunten overeenstemming gegroeid tussen de NP en het ANC dan men enkele jaren geleden voor mogelijk zou hebben gehouden. Zo is men het in principe al eens over het non-raciale karakter van het nieuwe grondwettelijke bestel, waarin een breed scala van mensenrechten verankerd zal worden; over de invoering van algemeen kiesrecht met evenredige vertegenwoordiging als kiesstelsel, waardoor het ANC zijn voorkeur voor een meerderheidsbewind Britse stijl (Westminstermodel) aanzienlijk heeft afgezwakt; over een gedecentraliseerd staatsbestel, al gaat het ANC daar veel minder ver in dan de NP; en over essentiële beginselen van de rechtsstaat zoals bijvoorbeeld een onafhankelijke rechterlijke macht met constitutioneel toetsingsrecht (toetsing van wetten aan de grondwet). Het ANC legt uiteraard wel veel sterker de nadruk op mogelijkheden om van staatswege historisch gegroeide sociale achterstelling en ongelijkheid ongedaan te maken met positieve (actie)maatregelen. In het ANC-voorstel voor een "bill of rights' komt dat zeer duidelijk tot uiting.

Het onderhandelingsproces zal moeten uitmonden in een politiek compromis, waarin de betrokken partijen zich in voldoende mate kunnen vinden. Het zal waarschijnlijk een systeem van machtsdeling bevatten, zoals ook Allister Sparks (NRC Handelsblad, 25 november) verwacht . Zo'n systeem is niet alleen in het belang van de NP, maar ook van het ANC dat daardoor na een lange periode van illegaliteit de gelegenheid krijgt een gezagspositie op te bouwen in het nieuwe staatsbestel. De trieste mislukking met "majority rule' elders in Afrika is een teken aan de wand. Het conventionele regeerstelsel van Zwitserland verdient daarbij voorlopig de voorkeur. Het realiseert de essentie van wat de NP beoogt, uitschakeling van politieke overheersing, zonder dat de regeerbaarheid tezeer in het gedrang komt. Het waarborgt twee zaken waar Zuid-Afrika dringend beboefte aan heeft: depolitisering van de besluitvorming en politieke stabiliteit. De economie krijgt daardoor nieuwe ontplooiingskansen en voor het slagen van het democratiseringsproces is dit een onontbeerlijke voorwaarde evenals voor een betere verdeling van de welvaart.

De ontwikkeling van een (pacificatie) model van machtsverdeling vereist uiteraard een drastische omslag in het sinds jaren sterk gepolariseerde politieke klimaat. De vorming van een overgangsregering tijdens het onderhandelingsproces kan daartoe een bijdrage leveren. Door zwarte leiders gedurende dit proces bij de politieke besluitvorming te betrekken, kan reeds ervaring worden opgedaan met besluitvorming in gemeenschappelijk overleg.

Na Zuid-Afrika jarenlang in zijn economische ontplooiing te hebben belemmerd door economische sancties, is het de komende jaren de plicht van Westerse landen, de economische ontwikkeling van dit land met adequate kapitaalhulp nieuwe impulsen te geven, waardoor het in staat wordt gesteld een betere verdeling van de welvaart te realiseren en als economische locomotief te fungeren ten dienste van de ontwikkeling van heel zuidelijk Afrika. Wie aan die sanctie wil vasthouden zoals S. Bosgra (NRC Handelsblad, 3 december) staat met de rug naar de toekomst. Niet intrekking van sancties is contraproduktief zoals hij stelt, maar voortzetting ervan en wel in letterlijke zin. De anti-apartheidsstrijd heeft haar tijd gehad, nu apartheid als juridisch systeem niet alleen figuurlijk, maar nu ook letterlijk een gepasseerd station is, getuige de grondwetsvoorstellen van de NP. In plaats van het oude wantrouwen te blijven voeden, zou Bosgra er nu beter aan doen mee te werken aan de ontwikkeling van een nieuw politiek klimaat in en ten opzichte van Zuid-Afrika waardoor nieuwe relaties, gebaseerd op vertrouwen, kunnen groeien en de economie opnieuw kan gaan bloeien.