HOMMAGE AAN INDO-ROCK IN DOCUMENTAIRE VAN HANS HEIJNEN; Wij vergaten onze ellebogen te gebruiken

Rockin' Ramona. Regie: Hans Heijnen. Amsterdam, Studio K; Den Haag, Haags Filmhuis.

Eén is leraar Duits geworden, een tweede heeft zich gevestigd als paragnost-natuurgenezer en voert bezweringsrituelen uit met een kris boven een glas water, een derde hangt wat rond in zijn veel te klein geworden jongenskamer en een vierde speelt top-veertig-nummers in een Schevenings horeca-etablissement. Er is weinig overgebleven van de glorie. De Indische jongens die rond 1960 de beste rock & roll van Nederland speelden, hebben zich door de blanda's de kaas van het brood laten eten. Het zat niet in hun aard hun ellebogen te gebruiken en terug te vechten, ze waren zoals een van hen zegt: “Ik weet alleen maar te knikken en weg te gaan. Niet welkom? Allright...”

Twee jaar geleden vatte Lutgard Mutsaers de geschiedenis samen in het boek Rockin' Ramona, een informatief en hoogst nostalgisch getint verhaal over opkomst en ondergang van de Indo-rock. De gelijknamige film van Hans Heijnen, die dit najaar in Utrecht op de nominatie stond voor de prijs voor de beste documentaire, verschijnt deze week op het bioscoopdoek. Ik denk dat het veel Hollandse veertigers zal vergaan zoals het mij verging toen ik het boek las: nooit geweten dat er ooit zoiets als Indo-rock had bestaan, het is me destijds nooit opgevallen dat veel populaire groepjes en solisten een iets bruinere huidskleur hadden dan wij. Pas nu hun historie is vastgelegd, realiseer ik me hoe groot het Indo-aandeel in de Nederlandse popmuziek toen was. Het is nooit als apart genre herkend, misschien schuilt daarin een deel van de tragiek.

Heijnen heeft er uit hun midden een paar gekozen, die hij thuis opzocht en samenbracht. Zijn film begint op een hotelkamer, waar een van hen uitbarst in Presley's The latest flame en een ander hem, in diepe concentratie, trommelend begeleidt met een pakje sigaretten en een aansteker. Dan laat hij zien hoe die Indische Nederlanders in de loop van de jaren vijftig bij bootladingen in het koude Holland arriveerden en hoe er toen moest worden aangepast. Thuis, in Indië, hadden ze zich Nederlanders gevoeld. Toen ze hier waren, bleken Nederlanders heel anders te zijn dan zij. Dat zovelen van hen muziek gingen maken, had alles te maken met hun traditie. De gitaar was hun vertrouwd. Ze konden, veel sneller dan de kaaskoppen, uit de voeten met de rock & roll, de nieuwe muziek uit Amerika. En die voorsprong buitten ze uit.

Met fonkelend opgepoetste en ritmisch gemonteerde archiefbeelden laat Heijnen het contrast zien tussen de ruige Indo-bands en de keurige tienersterretjes van Hollandse komaf. Een hilarisch hoogtepunt zijn fragmenten uit het NCRV-tv-programma Pas geperst, waarin de heer-achtige Pi Scheffer zich met enkele gasten onderhoudt over “wat men wel heel populair een rock & roll-orkest zou kunnen noemen”. De klassieke zangeres Cora Canne Meijer, een echte mevrouw, spreekt haar afschuw uit: “Vooral het zingen stoort mij erg... dat stoten van die stem, dat vind ik naar.” Scheffer, die de harmonie nastreeft, sust de gemoederen tenslotte door er paternalistisch op te wijzen dat het toch reuze aardig is “dat ze zelf muziek maken” - alsof het om het charmante geknutsel van een kleuterklasje gaat.

Rockin' Ramona maakt duidelijk dat de hoogtij-jaren snel voorbij waren. Enerzijds doordat de gitaarrock na een paar jaar uit de mode was en de tienermuziek weer in Hollandse handen kwam, anderzijds doordat de meest succesvolle bands werden weggelokt naar Duitse clubs. Dáár hadden ze hun mooiste tijd; op schokkerige amateurfilmpjes halen ze, omringd door hitsige meiden, malle fratsen uit met sleeën van auto's en in spannende broeken met klokpijpen. Totdat halverwege de jaren zestig hun sound opzij werd geduwd door de beatmuziek. Achteraf bleek dat ze hun geld in die tijd net zo snel hadden opgemaakt als verdiend. Toen gitarist Ronnie Neyndorff van de Swallows uit Duitsland terugkwam, moest zijn moeder de taxi betalen. “Je hebt geen geld, maar je hebt wel geleefd,” zegt hij, gehuld in zijn nu wat krap geworden showpak.

De enige die besloot niet naar de Hollandse drabbigheid terug te keren, is Andy Tielman, algemeen beschouwd als de beste van allemaal. Hij zit aan een zonovergoten strand in Australië, kennelijk in goeden doen. Heijnen maakt veel werk van het contrast tussen dat luie leven en de benauwde woonkamertjes van zijn andere hoofdpersonen. Iets teveel, vind ik. In het laatste deel van de film springt hij voortdurend heen en weer tussen die twee lokaties, suggererend dat Andy Tielman schathemelrijk aan de Indo-rock is geworden. Maar doordat in de lucht blijft hangen of dat werkelijk zo is, bevredigen die uitgemeten passages niet. Net zo min als de beelden van een nostalgisch tripje van enkele Indo-rockers naar Duitsland, die geen afronding krijgen. Het reünie-concert dat de afsluiting vormt, blijkt niet in Duitsland, maar in Den Haag te hebben plaatsgevonden.

Het is niet meer dan detailkritiek op een tot weemoed stemmende hommage aan pioniers, die nooit als zodanig werden erkend. Hans Heijnen heeft hen met toewijding - en dank zij de gefascineerd registrerende camera's van Maarten Kramer en Erik van Empel - aan de vergetelheid ontrukt. Hij liet zich niet verleiden tot een geschiedvervalsende hagiografie, hij maakt het niet mooier dan het was. Maar het wàs mooi.