Graslanden

Zeer terecht wordt er veel aandacht besteed aan de vernietiging van de bossen in de wereld, vooral de regenwouden (W&O 5-12). Dit type vegetatie spreekt ook zeer tot de verbeelding: grote woudreuzen met exotische dieren en kleurrijke epifyten.

Er is echter nog een vegetatietype dat minstens zo belangrijk is en ook onder grote druk staat. Dit zijn de "rangelands', veelal natuurlijke graslanden en savannes die uit inheemse of genaturaliseerde grasachtige soorten en kruiden bestaan met minder dan 40% boombedekking. Een kwart van het landoppervlak van de aarde is er mee bedekt. Dit is het woongebied van de herbivoren (olifanten, reeën, karbouwen, wildebeest enz.) en hun predatoren (leeuwen, tijgers, hyena's enz.), maar ook van miljoenen mensen.

Regenwouden en rangelands zijn beiden van groot belang voor de wereldecologie: zij bedekken beiden fragiele bodemprofielen, slaan grote hoeveelheden CO2 op, vormen leefgebieden voor wilde flora en fauna en verzamelen water voor grote riviersystemen. Beide vegetatietypen bevatten hout, medicinale planten en plantensoorten die nuttig zijn als verwanten van bestaande gewassen, maar ook voor de ontwikkeling van nieuwe gewassen. Vooral uit rangelands zijn juist de afgelopen 50 jaar zeer veel grassen en leguminosen gehaald voor de weideverbetering in de tropen en dit gebeurt nu nog. Sommige van deze soorten zijn pas recent ontdekt. Verder zijn de rangelands de enige bestaansbron voor miljoenen mensen, vooral in droge gebieden, die alleen of voornamelijk van hun vee leven. Deze traditionele veehouderij is van zeer grote economische en sociale betekenis, want zij voorziet de mensen van voedsel (melk, bloed, vlees), mest (voor bemesting van akkers en brandstof), vezels (huiden, haar en wol), trekkracht, sociale zekerheid en kapitaal. Het vee is bovendien van belang in combinatie met akkerbouw, omdat het gewasresten omzet in nuttige produkten en diensten.

De regenwouden hebben wel de voorpagina's van de wereldpers gehaald en staan in de belangstelling van de parlementen van de westerse en internationale regeringen, maar de rangelands nog niet, terwijl die het evenzeer verdienen. Samen vormen zij de laatste landreserves van de wereld en beiden lopen het gevaar van verdwijning en degradatie door overexploitatie en vernietiging. Bij de rangelands komt dit voornamelijk door een steeds toenemende bevolking. De beste stukken rangeland worden omgezet in bouwland en er komen steeds meer dieren op een steeds kleiner wordend areaal van slechtere gronden.

De beste natuurlijke graslanden zijn al in de loop van de laatste eeuwen omgezet in akkerland. Enkele voorbeelden zijn de steppe in de vroegere Sovjet-Unie, de prairie in Noord-Amerika en de pampa in Argentinië. Nu lopen de savannes het grootste gevaar, zoals in de Sahel, maar ook in Oost-Afrika. Overbeweiding leidt tot verlies aan eetbare soorten en tot dichte struikvorming, omdat er onvoldoende brandstof overblijft voor vuur dat de struiken in bedwang houdt. Waar deze struiken worden verwijderd en de toch al onvruchtbare gronden worden gebruikt voor akkerbouw zonder bemesting en met steeds korter wordende braakperioden, dreigt woestijnvorming, zoals die in Nederland heeft plaatsgevonden tot in de vorige eeuw (zandverstuivingen).

Degradatie en verlies van rangelands leiden tot erosie, overstromingen en afname van vastlegging van CO2, dat met CH4 en NOx, van belang is voor het broeikaseffect. Rangelands bevatten naar mijn schatting 13% van de terrestriale wereldopslag van CO2. De bijdrage van rangelands aan de emissie van CH4 valt in het niet bij die van natte rijstvelden en die aan NOx, is verwaarloosbaar omdat er weinig stikstof in omloop is. Rangelands zijn dus gunstig voor de wereldecologie en bovendien onmisbaar voor veel arme mensen.