Elbe knapt op van neergang Oostduitse industrie; De kwiklozing in Bitterfeld bij Chemie AG daalde zelfs met 92 procent

BERLIJN, 12 DEC. De malaise waarin een belangrijk deel van de Oostduitse industrie - in het bijzonder de chemische branche - verkeert, heeft in elk geval één voordeel: het water van de Elbe, die als de vuilste rivier van Midden-Europa geldt en dwars door het verenigd Duitsland stroomt, knapt ervan op. Het zuurstofgehalte steeg door onder meer een drastische vermindering van de cellulose-produktie, terwijl de lozingen van bijvoorbeeld kwik aanmerkelijk terugliepen na de gedeeltelijke ontmanteling van Chemie AG in Bitterfeld, gelegen aan de Mulde, die weer in de Elbe uitmondt.

Op een milieucongres in Berlijn kan dr Helmut Guhr van het ministerie voor milieubescherming in Maagdenburg slechts de conclusie onderschrijven die hem van journalistieke kant wordt voorgelegd: de ecologische vooruitgang is te danken aan economische achteruitgang, gepaard gaande met een groeiend leger werklozen.

In dit opzicht is een parallel te trekken met de Rijn kort na de oorlog, toen deze Westeuropese rivier weer volop vis, ook zalm, bevatte door de totale ineenstorting van de Duitse industrie langs de Rijn en haar zijstromen. Maar dat duurde niet lang. Naarmate de Duitse fabrieken uit hun as herrezen, namen de lozingen van schadelijke, vaak ronduit giftige stoffen toe en dat bleef in het milieu niet onopgemerkt. Voorjaar 1968 dreef de Rijn opeens vol dode en zieltogende vis na de lozing van een vracht endosulfan, een venijnig bestrijdingsmiddel, door het chemisch concern Hoechst in Frankfurt.

Dat was een van de meest dramatische tekenen dat het met de Rijn weer snel de verkeerde kant opging en die neerwaartse trend zette tot diep in de jaren tachtig door. Nu is opnieuw van herstel sprake, maar dat heeft meer met milieutechnische maatregelen dan met een verslechterde economie te maken. Er is in elk geval op de benedenstroom in Nederland weer een zalm gevangen, al betrof het wellicht een verdwaald exemplaar.

Van de Elbe kwamen door de jaren heen niet anders dan slechte berichten. De 1150 kilometer lange rivier, die in Tsjechoslowakije (Bohemen) ontspringt en bij Cuxhaven in de Noordzee uitmondt, bleek een bron van ellende in de Duitse Bocht, waar veel giftig slib uit de Elbe bezinkt. Hier werd al vroeg in de jaren tachtig een verband aangetoond tussen het dumpen van industrieel afval en het optreden van huidtumoren bij de platvis schar. Later vonden wetenschappers in sterk vervuilde delen van de Noordzee bij zowel schar als bot een opvallend hoog percentage leverkanker, veroorzaakt door onder meer polycyclische aromatische koolwaterstoffen, de gevreesde PAK's.

April 1990, dus kort na de omwenteling, verscheen een rapport van de Oostduitse regering over de toestand van de rivieren in dat land met de onthutsende slotsom: 30 procent van alle stromen is ecologisch dood en 45 procent is dermate vervuild, dat zelfs de meest geavanceerde technologie het rivierwater niet meer in bruikbaar drinkwater kan omzetten. En dat terwijl miljoenen mensen voor hun dagelijks rantsoen juist op de rivier zijn aangewezen.

Omstreeks diezelfde tijd ondernam de milieu-organisatie Greenpeace met haar achtieschip Beluga een tocht over de Elbe om vast te stellen dat deze stroom verreweg de smerigste is: “Even voorbij Dresden drijven zoveel grote brokken afval in het water, dat het koelwaterventiel van de Beluga voortdurend moet worden schoongemaakt.” Veel ernstiger nog was deze constatering: in Dresden, Pirna en Riesa is het gevaar te overlijden aan nier-, darm- en leverkanker twee- tot tienmaal zo hoog als in streken die hun drinkwater uit de bodem winnen.

Ruim anderhalf jaar later, op het congres in Berlijn, kan regeringsfunctionaris Helmut Guhr dus verbetering melden, voornamelijk toe te schrijven aan vermindering van bedrijfsmatige lozingen als gevolg van de economische neergang. De reductie van de kwiklozingen bij een noodlijdend bedrijf als Chemie AG in Bitterfeld beliep zelfs 92 procent (van 6.000 naar 500 kilo per jaar). Ook van andere zware metalen - koper, chroom en nikkel - komt er minder in de rivier terecht.

Hetzelfde geldt voor de wijdvertakte groep van gechloreerde koolwaterstoffen, waartoe pesticiden en oplosmiddelen behoren. Uit diverse regio's met een voorheen sterke chemische industrie worden reducties van 30 procent en meer gemeld. Dat neemt niet weg dat de concentratie van deze stoffen in de Elbe met 100 tot 200 microgram per liter nog ver boven de norm voor oppervlaktewater ligt. Intussen loopt ook het fosfaatgehalte in de rivier terug, wat nu eens niet met de industrie te maken heeft. Guhr: “Die vermindering moeten we deels toeschrijven aan een verhoogd gebruik van fosfaatvrije wasmiddelen, ook in de nieuwe Bundesländer, deels aan een teruglopende fosfaatbelasting uit de landbouw.”

Ook over de toekomst van de Elbe laat Guhr zich in optimistische termen uit, temeer nu voor deze rivier een internationale commissie is gevormd om vervuiling te bestrijden. De Rijn kent zo'n instituut al vele jaren: de Internationale Rijncommissie, bestaande uit hoge ambtenaren van de verschillende oeverstaten (Duitsland, Nederland, Frankrijk, Zwitserland en, via de Moezel, ook Luxemburg), die de betrokken regeringen aanbevelingen doen over saneringsmaatregelen. Naar dat voorbeeld ontstond de Internationale Elbecommissie, die na opheffing van de DDR twee partners telt: de Duitse Bondsrepubliek en Tsjechoslowakije.

Want ook de Tsjechen dragen in niet geringe mate bij aan de vervuiling. De onderzoekers van Greenpeace bezochten destijds ook de bronnen van de Elbe in het Boheemse bergland, dichtbij de Poolse grens. Ze genoten daar van iets heel bijzonders: een slok fris en schoon Elbewater. Maar aan de vreugde kwam snel een eind en wie nu dezelfde tocht stroomafwaarts zou ondernemen, zou hetzelfde meemaken: alleen al de stad Praag stort via de Moldau reusachtige hoeveelheden huishoudelijk en industrieel afval in de Elbe, zodat de rivier al vóór Dresden stinkt.

Daar moet nu de Elbecommissie verbetering in brengen. Er is - ook in het voetspoor van haar Westeuropese voorbeeld - al een actieplan voor het jaar 2000 opgesteld, maar ervaringen met de Rijncommissie leren dat internationale onderhandelingen over sanering van een grensoverschrijdende rivier moeizaam verlopen. Al hebben ze daar in Midden-Europa één voordeel: bij het Rijnoverleg zijn vijf, bij het Elbeberaad slechts twee landen betrokken.