Een miskoop

Ik ben geen held, laat staan als mijn kaak verdoofd is en mijn mond vol watten zit.

Maar toen ik die ochtend midden op het Rokin iemand zag die op mijn blauwe Gazelle Tourmalet richting Dam fietste, sprintte ik naar hem toe en hield hem aan. De tandarts had kort tevoren een kies getrokken, die door midden was gespleten ten gevolge van een graankorrel in een gezond volkoren broodje. Toen ik zijn deur uitliep dacht ik nog: nu moet er nog bij komen dat ze mijn fiets hebben gestolen... Ik had dat misschien beter niet kunnen denken, want nadere inspectie van een aantal verkeerspalen leerde dat mijn fiets er inderdaad niet meer stond. Het onbeschadigde kabelslot dat naast een paal lag, stak ik in mijn zak. Een voorbijganger die mij blijkbaar aanzag voor een schooier riep mij toe: “Mooi slot, jammer dat er geen sleuteltje bij zit.” “Dat sleuteltje heb ik nog, alleen mijn fiets is weg”, mompelden mijn opgezwollen lippen. Op de plaats van het misdrijf blijven staan en woest om me heen kijken, zou echter niet baten.

Ik wandelde richting Spui, nog twijfelend of ik voor straf zou gaan lopen of lijn 4 zou nemen, toen ik mijn blauwe fiets met zijn modern-zwarte mountain-bikestuur op mij af zag komen. Zonder te denken aan gevaar rende ik op de fietser af en dwong hem tot stilstand. De fiets was inderdaad de mijne. Alle kenmerken waren aanwezig: de sticker van de fietsenstalling en de gele huls waaronder mijn postcode verborgen zit. De jongen op de fiets zei in gebrekkig Nederlands dat hij het niet begreep. Hij had het rijwiel net voor vijftig gulden van iemand op straat gekocht. Dat kan wel zo zijn, zei ik, maar die fiets is van mij. Het dreigde een oeverloze discussie te worden, vooral omdat de fietser iets ingewikkelder argumenten niet verstond, en er evenmin begrip voor had dat het voor mij al erg genoeg was dat mijn kies was getrokken.

Goed, dan gaan we naar de politie, stelde ik voor. Daar was de jongeman weliswaar niet tegen - geen illegaal schoot het door me heen - maar zin om naar bureau Warmoesstraat te wandelen had hij niet. Ik moest de politie maar bellen in een telefooncel. Dat zag ik weer niet zitten, zodat ik voorstelde te wachten tot er een Golfje langs zou komen. Maar als je ze nodig hebt, enzovoort. Na enige tijd vonden we een voorbijgangster bereid de politie te bellen.

En daar stonden we dan, veroordeeld tot elkaar, vreedzaam verstrengeld in onze fiets. De nieuwe bezitter met de fiets tussen zijn benen en beide handen op het stuur. Ik met een arm om het stuur geslagen. In de tussentijd probeerde ik mijn rijwiel nog terug te kopen voor het bedrag dat de jongen betaald had. Daar wilde mijn fietsbroer wel op ingaan, maar helaas, ik had slechts 25 gulden bij me. Mijn pogingen een gesprek te beginnen, liepen spaak. Ik leerde alleen dat hij uit Egypte kwam en al twee jaar in Nederland woonde. Hij vond het ook koud. In mij was hij totaal niet geïnteresseerd.

Eindelijk verscheen een politiebusje met twee agenten. Ik deed mijn verhaal. Mijn opponent voerde wederom aan dat hij gewoon een fiets gekocht had. Voortvarend werd de jongen in de boeien geslagen op verdenking van heling en-of diefstal. Samen met mijn fiets verdween hij in het busje. De agent legde me uit dat zolang de gearresteerde geen afstand van de fiets wilde doen, het vervoermiddel van hem was. Ooit zou ik mijn vehikel terugkrijgen, maar dat kon wel enige tijd duren.

Maar kennelijk wisten de agenten de jongen er alsnog van te overtuigen dat het verstandiger was nu meteen afstand van de fiets te doen. “De mensen zullen wel denken”, zei de agent die de Gazelle weer uit het busje haalde.

De hele affaire had niet meer dan een half uur in beslag genomen. Een paar minuten later kon ik mijn weg weer vervolgen. Ik trok mijn sjaal wat hoger om mijn tintelende kaak tegen de gure wind te beschermen.

Niet drinken, had de tandarts gezegd.