Dierenbeschermers in oorlogstijd

Argos, 1991. Speciale uitgave: de relatie tussen mens en dier in historisch perspectief. Ter nagedachtenis aan Henk Rozemond.

Te verkrijgen door storting van ƒ 30,- op giro 581045 t.n.v. Veterinair Historisch Genootschap te Leidschendam.

Hoe ver mag je gaan om je doel te bereiken? De geschiedenis van de dierenbescherming in oorlogstijd vormt een treffende illustratie van de tweestrijd tussen moraal en strategie.

Al in de jaren dertig had de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren vruchteloze pogingen ondernomen om tot een sluitende dierenwetgeving te komen. De overheid toonde echter geen belangstelling.

In Duitsland lag dat anders. De Nazi-ideologie had altijd al een positieve plaats ingeruimd voor de lotsverbondenheid van mens en dier. De mens mocht zich van het dier niet vervreemden. Vanuit dit gedachtengoed was in 1933 een Tierschutzgesetz tot stand gekomen. Natuurlijk verbood deze wet de Joodse ritus van het onbedwelmd slachten. Maar de wet ging ook vele andere vormen van dierenmishandeling tegen.

Wat een probleem voor de Nederlandse dierenbeschermers toen in 1940 de Duitse bezetter te kennen gaf ook hier zo'n soort wet te willen instellen! Het dierenwelzijn zou daarbij ongetwijfeld zeer gebaat zijn. Maar mocht de Vereeniging wel meewerken aan een project dat door de Duitsers als "kriegswichtig' en "politisch sehr zweckmässig' werd bestempeld?

Wilhelm Pschorr was er door de bezettende macht belast met het toezicht op het veeartsenijkundig beleid in Nederland. Deze hoge ambtenaar was de drijvende kracht achter het streven naar een Nederlands Tierschutzgesetz. Hij bracht het bestuur van de Nederlandse Vereniging ertoe met hem in overleg te treden. Hij organiseerde een tournee van Nederlandse dierenartsen langs slachthuizen in Duitsland. Hij regelde dat een Nederlandse dierenbeschermingsfilm in Duitse steden vertoond werd. En hij was het die in 1943 de Nederlandse Vereeniging bewoog een brief te schrijven aan Rijkscommissaris Seyss-Inquart met het verzoek de wet vrij te geven. Eén hoofdbestuurslid van de Nederlandse Vereeniging wenste zich zo niet aan de Nazi-wet te committeren, zodat uiteindelijk de brief niet namens de vereniging, maar door de voorzitter op persoonlijke titel werd geschreven.

De hele geschiedenis liep met een sisser af. Nederland werd bevrijd voor de wet in werking kon treden. Resultaat: tot op de dag van vandaag heeft Nederland geen fatsoenlijke dierenbeschermingswet. En de Dierenbescherming zit met een kater.

Onlangs is deze episode beschreven door Karel Davids, in een speciale uitgave van Argos, het bulletin van het Veterinair Historisch genootschap. Ook onthult Davids op welke harteloze wijze de Nederlandse Vereniging in 1941 haar Joodse leden de deur heeft gewezen.

Het huidige bestuur van Dierenbescherming schijnt met de publikatie in zijn maag te zitten. Maar volgens mij is het juist goed dat deze geschiedenis opgerakeld wordt. Niet om de dierenbeschermers aan de schandpaal te nagelen, maar omdat de discussie over doelen en middelen gebaat is bij openheid. En die discussie gaat ons allen aan.

Zelf geloof ik dat het niet zozeer de vraag is wat je mag doen, alswel hoe je het doet. Denk maar eens aan Sigmund Freud. Bij zijn vlucht uit Oostenrijk werd hij door de Nazi's gedwongen schriftelijk te verklaren dat hij door de SS goed was behandeld. Maar onder zijn handtekening schreef Freud: "Ik kan de SS aan iedereen van harte aanbevelen'. Die ene toevoeging veranderde collaboratie in verzet.

Naast het artikel van Karel Davids bevat Argos tal van andere wetenswaardigheden. Interessant zijn vooral beschouwingen van J.B. Berns over woorden die mensen gebruiken als ze tegen dieren spreken. Van P.A. Koolmees over de verschillende soorten "bedwelmingsmethoden' die rond 1900 in abattoirs werden toegepast voor het slachten (inslaan van pennen tussen nekwervels, spijkers in voorhoofd, verstikking etc.), en van A.H.H.M. Mathijsen over de oefenoperaties op levende paarden die vorige eeuw werden uitgevoerd aan de Rijksveeartsenijschool.