De industrie moet meer grapjes maken

Mode-ontwerpers en vertegenwoordigers van de kledingindustrie spreken niet altijd vriendelijk over elkaar. Om de "artistiekelingen' en de "commerciëlen' te verzoenen is op de Arnhemse Hogeschool voor de Kunsten een tweede-fase-opleiding mode, vormgeving & strategie opgericht.

De opleiding Mode, Vormgeving & Strategie in Arnhem is een post-academische opleiding voor afgestudeerde modevormgevers. De opleiding kost ƒ 10.000. Van dat bedrag wordt ƒ 6500 betaald door het bedrijfsleven. Studenten moeten zelf de resterende ƒ 3500 opbrengen.

Dertig jaar geleden lieten Nederlandse confectiefabrikanten hun collecties liever maken door een coupeur dan door een ontwerper. Zo'n coupeur stelde twee keer per jaar een collectie samen. Daar deed hij niet moeilijk over: modellen die goed verkochten bleven in de collectie, nieuwe modellen haalde hij uit de Burda. De coupeur hanteerde bij de keuze twee criteria: de modellen moesten eenvoudig te produceren zijn en geschikt zijn voor zowel zijn verloofde als voor zijn moeder.

De meeste bedrijven maakten in deze jaren een goedkoop massaprodukt en daar viel niet veel aan te ontwerpen. Maar toen door stijgende lonen niet meer te concurreren viel tegen de goedkope kleding uit lage-lonenlanden gingen tientallen fabrieken failliet. De resterende bedrijven beseften dat ze zich in een snel veranderende maatschappij moesten specialiseren in kleding voor bepaalde doelgroepen en dat ze daar ontwerpers bij nodig hadden.

De mode-opleidingen aan de kunstacademies zijn begonnen als teken- en couture-opleidingen, maar de laatste decennia wordt meer rekening gehouden met het bedrijfsleven. Er worden niet alleen ontwerpers opgeleid, maar ook stilisten, die trends signaleren en vertalen voor bepaalde doelgroepen.

Toch is de aansluiting tussen opleidingen en bedrijfsleven nog verre van ideaal. Om die reden werd ruim een jaar geleden door de Arnhemse Hogeschool voor de Kunsten de tweede-fase-opleiding Mode, Vormgeving & Strategie opgezet. De eenjarige opleiding bestaat uit drie onderdelen: een algemeen theoretisch gedeelte waarin mode en kleedgedrag bestudeerd worden in vakken als sociologie, psychologie, culturele antropologie en economie, een meer op de branche gericht theoretisch gedeelte met vakken als marketing, commerciële communicatie, produktie en produktinformatie en, als derde, een afstudeergedeelte.

Vandaag presenteerde de eerste lichting van elf afgestudeerden zich in Amsterdam aan bedrijfsleven en pers. Niet met een modeshow zoals dat gebruikelijk is bij modestudenten, maar met onderzoeksrapporten, een videofilm, computerontwerpen en een tijdschrift. Dat tijdschrift is een modevakblad, bedoeld voor modestudenten en ontwerpers, maar ook voor modehandel en -industrie. Het blad heet Cozijn en wil het bedrijfsleven informeren over het studiebeleid van de mode-opleidingen, en studenten inzicht geven in wat er zich afspeelt in de modebranche. De dummy van het blad, waarvoor overigens nog geen uitgever gevonden is, geeft een idee van de onderwerpen: analyses van bedrijfsfilosofieën en succesformules, interviews met vooraanstaande personen uit de mode-industrie, bijzondere modeberoepen zoals ontwerpen voor film en theater, activiteiten op academies, verslagen van modebeurzen en shows, bespreking van vakliteratuur.

Cozijn is bedacht door Angelique Janssen en Mary Hessing. Janssen: “We kwamen op het idee van zo'n tijdschrift toen we ons realiseerden dat mensen als wij nooit vakbladen lezen. De vakbladen zien er zo vreselijk saai uit. Het blad waarvoor wij het inhoudelijke concept bedacht hebben, wil niet alleen informeren maar ook bedrijfsleven en opleidingen nader tot elkaar brengen. Het wordt gelukkig steeds minder, maar toch hebben ze het in het bedrijfsleven nog wel eens over die "artistiekelingen', terwijl er op de academies nog wel eens minder vriendelijk over het bedrijfsleven wordt gepraat.”

Bij de mode-opleidingen van de academies geldt in het algemeen dat het afstudeerwerk van de studenten moet aansluiten bij het imago van de opleiding. Bij de vervolgopleiding Mode, Vormgeving & Strategie worden de studenten breed geïnformeerd en vervolgens gestimuleerd in de richting waarvoor ze belangstelling hebben.

Twee studenten hebben onderzoek gedaan naar het kleedgedrag van ouderen en daar een videodocumentaire over gemaakt, twee anderen hebben zich verdiept in het kleedgedrag van carrièrevrouwen. Een studente heeft de mogelijkheden van het ontwerpen met de computer onderzocht en een groepje van drie studenten heeft onderzoek gedaan naar visual merchandising, dat wil zeggen naar de manier waarop bedrijven hun goederen presenteren. Een van de drie onderzoekers, Marianne Brink, heeft een baan overgehouden aan het onderzoek. Ze is sinds kort sales manager bij Didi Fashion, een zaak met 67 filialen waarvan zij er twaalf begeleidt. Brink: “Toen ik op de academie zat wilde ik al de commercie in, daarom ben ik de tweede-fase-opleiding gaan doen. Ik denk niet dat deze opleiding geschikt is voor iedereen die de academie gedaan heeft. Je moet echt geïnteresseerd zijn in het bedrijfsleven en enig inzicht in commercie hebben. Ik heb altijd de schakel willen zijn in de oorlog die in de bedrijven heerst tussen ontwerp, verkoop en inkoop.” Haar mede-onderzoeksters Inez Lippinkhof en Inge Dommerholt krijgen bij Vroom en Dreesmann een driejarige kaderopleiding als inkoper.

Lilian Vos heeft onderzoek gedaan naar het functioneren van stylingbureaus en de toepassing van styling door de kledingbranche. Volgens haar is hoe nu met styling wordt omgegaan uit de tijd en zinloos. “Er wordt veel meer kleding geproduceerd dan nodig is. Als je de vraag op 100 procent stelt, dan zit het aanbod op 180 procent tot 200 honderd. Dat betekent een moordende concurrentie. Maar wat doen de grootwinkelbedrijven? In plaats van zich te onderscheiden, brengen ze allemaal hetzelfde type kleren, want ze zijn doodsbang de boot te missen. Alle grootwinkelbedrijven kopen dezelfde stylinginformatie waarop ze hun inkoop baseren. Stylingbureaus als Promostyl in Parijs, het Nederlandse Mode Instituut en het bureau Kees van der Valk zitten in het systeem en moeten meedoen. Ik zou wel interessant vinden bij een groot bedrijf te laten zien dat het anders kan, maar zo'n kans krijg je alleen als je je sporen verdiend hebt in het vak. Voorlopig werk ik bij de Belgische ontwerper Walter van Beirendonck. We maken samen collecties voor Gianfranco Ferre en een commerciële eigen collectie vol kleine grapjes. Ik had tijdens de opleiding vooral belangstelling voor vakken als psychologie en sociologie omdat ik er mijn artistieke ideeën mee kon onderbouwen, maar nu ik voor een klein bedrijf werk waar je toch gauw geconfronteerd wordt met financiële zaken, blijkt een vak als economie ook heel goed van pas te komen.”