"Bob, ouwe zak, je luistert ons toch niet af?'; De schurk en de ja-knikkers

LONDEN, 12 DEC. Nu de eerste schok over de omvang van de schurkerigheid van wijlen Robert Maxwell is weggeëbd kunnen satirici in elk geval nog maanden voort met het herkauwen van de twee versies "In memoriam' die over de media-magnaat zijn uitgesproken. Die van 6 november, onmiddellijk na Maxwells verdwijning in de vergetelheid van de Atlantische Oceaan, of die van 6 december. Dat was de dag waarop vaststond dat Captain Bob de pensioenfondsen van zijn werknemers had geplunderd. De ontdekking dat de hoogste baas van de Mirror-krantengroep ook zijn financiële directie in haar kantoren had afgeluisterd zou die avond nog volgen. “Bob, ouwe zak, je luistert ons toch niet af, hè?”, had een van de directeuren wel eens hardop gegrapt, want hij begreep maar niet hoe Maxwell hem altijd één stap vóór leek te zijn in de onderhandelingen.

Neem de door de wol geverfde straatvechter-socialist en journalist Joe Haines, voormalig woordvoerder van Labourpremier Harold Wilson, Mirror-columnist en tegelijk een van de leden van de raad van bestuur van de krantengroep. In 1988 deed hij een hagiografie van Robert Maxwell het licht zien op last van de grote baas zelf. Zijn twee pagina's lange "In memoriam' in de Daily Mirror van 6 november droop van de eerbetuigingen aan de man die de Mirror gered had en eindigde met “Zo iemand als hij zullen we nooit meer terugzien”. Vorige week, toen zijn krant het gedrag van Robert Maxwell groot op de voorpagina kwalificeerde als "DE LEUGEN', moest hij een dagje vrij nemen om te bekomen van de schok. Hij was “gobsmacked”, met stomheid geslagen, en kon niet veel meer uitbrengen dan dat hij altijd gedacht had dat de pensioenfondsen onaantastbaar waren.

Anne Robinson, televisiepersoonlijkheid en schrijfster van de vrouwenpagina van de Mirror, sprak op 6 november over “een man met enorme moed en gebrek aan angst, iemand die het bestaan van vele mensen, inclusief het mijne, rijker maakte”. Vorige week moest ze haar mening bijstellen: “Mensen zoals hij kunnen niet gedijen zonder de medewerking van lafaards. Robert Maxwell slaagde er heel goed in zo machtig over te komen dat mensen continu "ja' zeiden wanneer het antwoord "nee' had moeten zijn”.

Pag 22:

De roekeloosheid van Maxwells laffe bankiers

Labourleider Neil Kinnock is er achteraf nog genadig afgekomen. Onder Maxwell, lagerhuislid voor Labour van 1964 tot 1970, stuurde de Daily Mirror als enige van alle kranten een pro-Labour-koers en Maxwell financierde de Labourpartij met een bijdrage van 40.000 pond. Toch waren Kinnock en Maxwell niet persoonlijk bevriend. De Labourleider beperkte zich op 6 november daarom tot het uitspreken van zijn diepe droefheid over de dood van “een man met zo'n liefde voor het leven”. Dat hoefde hij dus niet terug te nemen. Premier John Major schaatste dichter langs de rand: Maxwell zou worden gemist “in veel opzichten”, hij had op de Mirror “zijn eigen individuele stempel gedrukt” en “niemand mag ooit zijn belangstelling voor vrede en zijn loyaliteit jegens vrienden in twijfel trekken”.

Peter Jay, hoofd economische zaken van het BBC televisiejournaal, voormalig Brits ambassadeur in Washington en vier jaar lang de persoonlijk assistent van Robert Maxwell ( “Hij had meer fysieke en morele moed dan ik ooit bij iemand ben tegengekomen”), hield zich op 6 december wijselijk weg. Maxwells aartsrivaal Rupert Murdoch kwalificeerde zijn aanvankelijke uitspraak (“Robert Maxwell was een opmerkelijke persoonlijkheid”) nader met een kop in The Sun: "Mirror, Mirror on the wall? Who's the biggest crook of all?'

Op die vraag was, achteraf gezien, ruim twintig jaar geleden al antwoord gegeven. In een drietal rapporten in opdracht voor het Britse ministerie van handel en industrie (DTI) waren de bankier (Standard Chartered Bank) Ronald Leach en de jurist Owen Stable QC al méér dan uitvoerig ingegaan op de verdenkingen jegens Robert Maxwell. In hun onderzoek naar onregelmatigheden bij Maxwells Pergamon Press - dit jaar overgenomen door Elsevier - stuitten ze op “leugens, overdrijvingen, verdraaiïngen, pogingen tot verbergen en overtredingen van de bedrijfswetgeving”. Precies het gedrag dat nu boven water komt, staat ook in de DTI-rapporten van destijds beschreven. Letterlijk: het geven van valse verklaringen aan aandeelhouders, het doen van betalingen en het aangaan van leningen buiten de kennis van zijn mededirecteuren om, het opstellen van notulen over vergaderingen die er nooit zijn geweest, het verstrekken van onjuiste informatie aan overheidsinstellingen en de eigenschap van “roekeloos en ongefundeerd optimisme, waarmee hij onverteerbare feiten naast zich neerlegt en dingen zegt waarvan hij weet dat ze niet waar zijn”. Zoals Maxwell nu de pensioenfondsen van zijn medewerkers gebruikt heeft om onder meer de aandelenprijs van MCC op te krikken, zo was destijds volgens de inspecteurs leidraad voor Maxwells handelen “de prijs van aandelen Pergamon op de beurs”. De onderzoekers kritiseerden de accountants die Maxwells praktijken voor zoete koek hadden aangenomen en “zich tevreden hebben gesteld met de stroom van altijd weer nieuwe toelichtingen”. Robert Maxwell, was de vernietigende conclusie, was niet een man aan wie het leiden van een beursgenoteerd bedrijf toevertrouwd kon worden.

De manier waarop Robert Maxwell die dodelijke omschrijving heeft weten te negeren, is tekenend voor hem en voor het Britse establishment. De mediamagnaat ging onmiddellijk in hoger beroep van de uitspraak. De rechter gaf hem ongelijk: het rapport was geschreven met “in het oog lopende eerlijkheid”. Daarmee lag de bal, en de beslissing om Robert Maxwell te vervolgen wegens wanpraktijken, weer bij het DTI. Maar als hoofd van het justitieel vervolgingsapparaat was inmiddels Maxwells voormalige Labour Lagerhuiscollega én advocaat, attorney-general Sam Silkin aangetreden. Van een vervolging werd niets meer vernomen. DTI-onderzoeker Leach verhuisde naar Samuel Montagu, dat desondanks geen “nee” zei tegen de grote sommen die er aan Maxwells imperium vielen te verdienen. Dit voorjaar nog begeleidde de bank de beursnotering van 49 procent van de aandelen in de Mirror Group Newspapers, met de verzekering dat MGN “hermetisch bleef afgesloten van Maxwells privé-bedrijven”.

In de sfeer van roekeloosheid van de jaren tachtig, waarin de bomen tot in de hemel leken te groeien, leek het risico van een lening aan Robert Maxwell ook voor Britse bankiers niet hoger dan dat van andere leningen. Bovendien: Maxwell had hen (en de Conservatieve regering) een dienst bewezen, door in 1980 de vrijwel failliete British Printing Corporation van de ondergang te redden door er zijn geld in te steken en vervolgens de vakbonden in de hoek te meppen. BPC, later omgedoopt tot Maxwell Communications Corporation, deed de ene aankoop na de andere. En de banken waren in een periode van economische “boom” maar al te gretig om geld te slaan uit steeds weer nieuwe leningen, bedoeld voor steeds weer nieuwe bezittingen die op de markt steeds hoger werden gewaardeerd. In 1984 werd Maxwell “de man die de Mirror redde”. Vakbondsvertegenwoordigers uitten toen al het vermoeden dat Maxwell uit was op de uitzonderlijk goed gevulde pensioenfondsen van de Mirror-journalisten. Ze hingen vlugschriften op: "Kijk uit, loslopende Maxwell. Hij heeft het op je pensioen voorzien'. De hierboven al genoemde Joe Haines, Maxwells latere biograaf, bezwoer zijn collega's op de dag vóór Maxwell zijn intrek nam in het Mirror-gebouw: “Vraag me niet om bij te dragen aan jullie afscheidscadeau, wanneer hij jullie allemaal ontslaat, want dat weiger ik. Ze zullen mij naar binnen moeten trekken vóór ik voor zo'n oplichter en monster als Robert Maxwell ga werken”. Een dag later had Maxwell hem ingepakt en de bonden beloofd dat hij niet aan de pensioenen zou komen.

Zelfs na de wereldwijde ineenstorting van de beurs in oktober 1987 leek de bankiers een lening van twee à drie miljard pond voor de aankoop van de Amerikaanse uitgeverij Macmillan niet te gek. De risicobeheers-specialisten, die aan hun directeuren op de bank advies moesten uitbrengen over de wijsheid van een dergelijke strategie, waren niet erg gemotiveerd tot het stellen van indringende vragen. Maxwell, met zijn bassende stem, zijn meer dan levensgrote persoonlijkheid en zijn legendarische rijkdom, had een even legendarische methodiek ontwikkeld om mensen die hem niet zinden van het bord te vegen. Wie durfde de verantwoordelijkheid aanvaarden voor het risico dat zijn bank bij de lucratieve volgende deal niet zou mogen meedoen?

Waarom leent u Robert Maxwell eigenlijk steeds maar geld? vroeg een journalist twee jaar geleden nog aan de voorzitter van een grote bank. “Omdat Bob zijn bankiers nog nooit in moeilijkheden heeft gebracht”, zei de topman, oud genoeg om zich het DTI-rapport persoonlijk te kunnen herinneren. “De DTI-inspecteurs zijn destijds toch wel een tikje te ver gegaan”, meende Michael Richardson van Rothschildts Bank nog vlak vóór de ontdekking van Maxwells dubbelspel. “Hij was een formidabel iemand om mee te moeten onderhandelen”, zei een andere bankier, ná de ontdekking, verontschuldigend.

De waarheid is, zeggen financiële analisten, dat Maxwell wist hoe hij bankiers kon inpakken op een moment dat de investeerders het vertrouwen in zijn ingewikkelde imperium al lang hadden verloren. En dus beloog, intimideerde en bedroog hij de bankiers met steeds nieuwe beloften, steeds imposanter handgewuif en steeds ongeduldiger vertoon van irritatie over kleinigheden als het ontbreken van beloofde onderpanden.

De accountantsfirma Coopers & Lybrand Deloitte heeft jarenlang de boeken van een groot aantal van de Maxwell-bedrijven gecontroleerd. Zij heeft zich officieel niet verweerd voor haar falen en concentreert zich nu aan de hand van de bewindvoerder van MCC op het opsporen van financiële onverkwikkelijkheden die ze al die jaren heeft gemist. Alle signalen die de accountants hadden moeten alarmeren, waren aanwezig, schreef de partner van een niet-betrokken accountantsfirma deze week in The Sunday Telegraph: een aan de oppervlakte complexe structuur, liquiditeitsproblemen en een dominante topbestuurder. “Maar wie durft er, in een op leven en dood concurrerende markt, waarin een zestal grote accountants in feite de dienst uitmaakt, aan de bel te trekken wanneer er grote honoraria op het spel staan? In een klimaat zoals nu heerst hebben accountants geleerd teveel te vertrouwen op wat ze door de leiding van het bedrijf wordt verteld en hebben ze zich te zeer bekwaamd in de vaardigheid van het doorschuiven van de verantwoordelijkheid.” De beroepsgroep, is niet alleen zijn conclusie, heeft zich verregaand ongeloofwaardig gemaakt en moet nodig orde op zaken stellen.

En de pers? Heeft die dan nooit vragen gesteld? Het is haast komisch om te zien hoeveel (ex-)medewerkers van Maxwell achteraf claimen dat ze altijd al hebben gezegd dat Maxwell niet deugde. Dat bracht één van de ingezonden brieven-schrijvers in de kranten tot de vraag, waarom ze die wijsheid dan niet met hun lezers en vooral met de deelnemers in Maxwells pensioenfondsen gedeeld hebben?

Roy Greenslade, ruim een jaar hoofdredacteur van de Daily Mirror tot hij het in maart 1991 niet meer uithield, probeerde afgelopen week in The Sunday Times uit te leggen waarom ook hij "Maxwells shilling' had geïncasseerd door voor hem te werken, terwijl hij tegelijkertijd met collega's sprak over “het beest op de tiende verdieping”. Robert Maxwell, gaf hij grif toe, bemoeide zich voortdurend met de inhoud van de krant ("Maxwell begroet Gorbachov' met foto op de voorpagina bij voorbeeld), regelde achter de rug van de hoofdredacteur promoties of ontslagen van redactieleden en zocht, als intimideren niet lukte, zijn toevlucht tot de quasi-vaderlijke benadering. “Hij behandelde iedereen die voor hem werkte, van directeur, tot juridisch adviseur, tot journalist, tot secretaresse - voorál secretaresse - met minachting. Hij vernederde iemand niet alleen om zijn onmiddellijke doeleinden te bereiken, hij deed het ook om de vernedering zelf.”

Wie het waagde als werknemer niet op zijn plaats te zitten, wanneer Maxwell opbelde, werd ontslagen. Wie het hart had Maxwell-ongevallig te handelen, werd bedreigd met hetzij een ongespecificeerd “ik maak je kapot”, hetzij met een aanklacht wegens smaad. Dat laatste middel is in Groot-Brittannië een privilege dat alleen hele rijke mensen zich kunnen veroorloven en Maxwell veroorloofde zich het privilege met graagte. Toen de mediamagnaat over boord van zijn jacht klapte of na rijp beraad en in koel overleg zelf een dood in de golven zocht, liet hij behalve een financiële puinhoop een kleine honderd aanklachten wegens smaad na. Geen kwestie was hem te onbenullig, geen ongelijk was hem te min. Advocaten geven grif toe dat ze met zijn smaadprocedures jegens anderen in de loop der jaren miljoenen aan hem hebben verdiend, want als Maxwell verloor, gaf hij niet op en spande nieuwe procedures tegen de vermeende zondaar aan.

In 1986 wist Maxwell het satirish weekblad Private Eye veroordeeld te krijgen tot het betalen van een boete van 55.000 pond. Van de twee biografieën die er in 1988 over Maxwell uitkwamen, wist Captain Bob er één definitief tegen te houden (het boek, Maxwell: The Outsider, verschijnt alsnog deze week) en één voor lange tijd, terwijl hij tegelijkertijd Joe Haines de opdracht gaf tot een derde, hem welgevallige levensbeschrijving. Uitgevers, auteurs en boekhandelaren werden gelijkelijk met dagvaardingen om de oren geslagen. Kranten die wat negatiefs over Maxwell wilden publiceren, bedachten zich zorgvuldig of het de moeite allemaal wel waard was. Vermoed mag worden dat wát ze schreven op een goudschaaltje was gewogen. En aangenomen mag ook worden, dat veel verhalen helemaal niet eens de krant haalden.

Zo ziet de City of London zich dan ruim een maand na Maxwells overlijden geconfronteerd met een financieel schandaal van een omvang en een gehalte dat Guinness, BCCI en Polly Peck in de schaduw stelt. Britse bankiers die zo bereidwillig de herinnering aan het DTI-rapport hebben verdrongen, kunnen erop rekenen dat zij alleen al 500 miljoen pond nooit zullen terugzien. Duizenden (ex-)werknemers van MCC en MGN moeten afwachten of hun pensioengelden kunnen worden teruggevonden en teruggestort. Het Lagerhuis gaat onderzoeken hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen en wat er aan gedaan moet worden om herhaling te voorkomen.

Wijlen Robert Maxwell weet van niets meer. Zijn echtgenote heeft het huis in Oxford gesloten en is onder tranen voorgoed naar Frankrijk afgereisd. Maxwells kinderen, voor zover niet betrokken in zijn praktijken, gaan gebukt onder de naam die hun vader hun heeft nagelaten. Zoals het er nu uitziet hebben zij na die smartelijke begrafenis op de Olijfberg in Jeruzalem hun herinneringen aan de betreurde man en vader ook drastish moeten bijstellen. “Hij was als een kind, een koorknaap”, mijmerde zijn weduwe tegen The Times. Maar dat was toen ze nog dacht dat Robert Maxwell zijn laatste rustplaats in het beloofde land ten volle had verdiend.