BERENICE ABBOTT 1898 - 1991; Trouw aan de feiten

Ze schaakte tijdens de Eerste Wereldoorlog met Marcel Duchamp, ze was in de leer bij Man Ray en ze kwam over de vloer bij ex-zeeman Eugène Atget, "de' documentaire-fotograaf van het vooroorlogse Parijs. Op zijn natte pleinen en smalle stegen is meestal geen mens te bekennen. Een peinzende stad voor een handvol achterblijvers, die naarmate de tijd verstreek, een steeds melancholischer aanzien heeft gekregen.

Het was Berenice Abbott die begin jaren twintig de historische waarde van Atgets opnamen besefte. Veertig jaar lang leurde ze met die nu uiterst kostbare vijftienhonderd glasplaten en achtduizend afdrukken voordat het Museum of Modern Art in New York er een schijntje voor overhad. Het werk had "een schok van herkenning' teweeggebracht, zei ze. Atget was meedogenloos trouw aan de feiten. Zó en niet anders wilde ook zij de camera hanteren.

Berenice Abbott, die het afgelopen weekeinde op 93-jarige leeftijd is overleden, is zestig jaar lang als fotografe actief geweest. Een feitelijk verslaggeefster, zonder aanleg voor "self-promotion', want "iets wordt toch wel kunst als het goed is'. Atgets naam blijft verbonden aan Parijs, Abbott heeft zich om New York bekommerd, waar in de jaren dertig de architectuur van de menselijke schaal overwoekerd werd door autoritaire wolkenkrabbers. De bomen stierven op de pleinen, omdat het zonlicht er niet meer bij kon.

Gekleed in een ski-broek, toen een gewaagde "outfit', maakte ze met haar zware camera vanaf de hoogste punten superieure opnamen van de geometrische wanorde beneden, het krioelende Broadway en wegglijdende passagiersschepen in de verte. Ze documenteerde Brooklyn en de Bronx, de etalages, volgestouwd met heiligenbeelden of affiches, de dampige havenpieren en triomfantelijke bruggen. Haar bovenaanzichten van anonieme passanten herinneren aan andere 'klassieken', André Kertész bijvoorbeeld en Henri Cartier-Bresson, zo langzamerhand de enige overlevende van een legendarische generatie fotografen.

Aanvankelijk wilde Berenice Abbott beeldhouwster worden. Geboren in Springfield, Ohio (1898), en door haar moeder opgevoed, gescheiden van haar vader, broers en zuster, was er weinig reden om dicht bij huis te blijven. Meer wilde ze er niet over kwijt. Ze kwam in Parijs terecht, vrienden introduceerden haar bij Man Ray. In 1925 werd zij zijn assistente totdat er ruzie ontstond over een foto van Peggy Guggenheim, die zich niet door Ray maar door Abbott wilde laten portretteren.

Met een lening van Guggenheim begon ze een eigen studio. Daar, in het kunstzinnige hart van de wereld, en later in New York, verscheen een lange reeks vooraanstaande kunstenaars voor de lens: André Gide, Jean Cocteau, Coco Chanel, Isamu Noguchi, James Joyce, Max Ernst, Frank Lloyd Wright, Edward Hopper, Edna St. Vincent Millay, Edward Hopper, en vele anderen, met een net zo intrigerend, maar minder bekend hoofd. Een specifieke Abbott-stijl laat zich niet kennen, elk portret staat op zichzelf, meer of minder geposeerd, alsof ook hier alleen de werkelijkheid van het moment het resultaat moest bepalen. Geen fratsen, geen trucs.

Later voelde Abbott zich aangetrokken tot wetenschappelijk onderzoek. Ze verdiepte zich in de fysica, maakte ze kristalheldere illustraties voor studieboeken ter verduidelijking van lichtwerking en magnetisme, en ze ontwierp nieuwe camera's. Het mag de 'gelukkigste periode' van haar leven zijn geweest, haar naam zal er niet direct mee geassocieerd worden. En dat geldt ook voor de laatste de opdracht die ze zichzelf stelde: Vastleggen hoe het er in het verschrompelende kleinsteedse Amerika, van Maine tot Florida aan toe ging: het gejakker van om aan de kost te komen, de kerkgang, de geborgenheid van een dorpsgemeenschap, het strandvertier. Abbots levenslange verwondering om het "gewone' en haar intense besef dat de tijd het vertrouwde, vanzelfsprekende aanzien van mensen en dingen teniet zou doen, hebben vele onopgesmukte, nu onthullende foto's doen ontstaan die, net zoals Atgets "Paris', alleen maar waardevoller én raadselachtiger kunnen worden.