Belangrijkste punten van de Politieke Unie

BRUSSEL, 12 DEC. De aanpassingen en wijzigingen in het Verdrag van Rome die door de Top van Maastricht zijn bekrachtigd zijn gemodelleerd niet volgens de "boom'-structuur, zoals het Nederlandse voorzitterschap aanvankelijk heeft geprobeerd, maar op basis van drie grote pijlers.

De belangrijkste daarvan is de bestaande Europese Gemeenschap, die bevoegdheden krijgt op een aantal nieuwe terreinen - de sociale politiek geldt voor alle lidstaten behalve het Verenigd Koninkrijk - waarover de ministerraden bij gekwalificeerde meerderheid kunnen beslissen. Het Europees Parlement krijgt een beperkte uitbreiding van zijn wetgevende bevoegdheden.

De tweede, intergouvernementele, pijler wordt gevormd door de samenwerking op het gebied van de buitenlandse en veiligheidspolitiek. De derde, eveneens intergouvernementele, pijler omvat de politiële en justitiële samenwerking.

Gisteren noemde we de belangrijkste punten over de monetaire unie. Hieronder volgen de belangrijkste punten uit de artikelen over de politieke unie. Het hoofdstuk over sociale politiek dat elf lidstaten hebben ondertekend houdt in dat voortaan met gekwalificeerde meerderheid maatregelen kunnen worden genomen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, de arbeidsvoorwaarden, de informatie van en het overleg met werknemers, de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en de integratie van werknemers die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten.

Voor beslissingen over sociale zekerheid en sociale bescherming van werknemers en over bescherming van werknemers bij opzegging van hun arbeidscontract, over vertegenwoordiging en collectieve verdediging van werknemers en werkgevers inclusief medezeggenschap, arbeidsvoorwaarden voor personen uit derde landen en financiële bijdragen om de werkgelegenheid te bevorderen is echter unanimiteit vereist. Over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid staat in het nieuwe verdrag dat de algemene oriëntaties voor gemeenschappelijk optreden met unanimiteit worden vastgelegd. Op basis daarvan bepalen de ministers van buitenlandse zaken met unanimiteit of een bepaalde kwestie zich leent voor gemeenschappelijk optreden. Bij uitvoering daarvan kan volstaan worden met gekwalificeerde meerderheid. Het is te verwachten dat dat in de praktijk weinig zal voorkomen: in een toegevoegde verklaring wordt de lidstaten namelijk gevraagd om zich, als voor een beslissing unanimiteit vereist is, zoveel mogelijk te onthouden van stemming als er wel een duidelijke meerderheid voorhanden is.

Wat betreft de Westeuropese Unie, die wordt belast met de uitvoering van de besluiten die de Europese Unie op defensiegebied neemt, is besloten dat het secretariaat en het hoofdkwartier - die zich respectievelijk in Londen en Parijs bevinden - worden verplaatst naar Brussel. Binnen de NAVO zal de WEU optreden als vertegenwoordigster van de Europese Unie. In het aan het verdrag toegevoegde protocol over de economische en sociale cohesie wordt gesteld dat die “vitaal” is voor de “integrale ontwikkeling en het duurzame succes van de Gemeenschap”. Hoewel wordt gesteld dat de Europese Investeringsbank het “overgrote deel van haar bronnen” aan die cohesie dient te besteden, wordt de armere lidstaten in het vooruitzicht gesteld dat voor 31 december 1993 een “cohesiefonds” in het leven zal worden geroepen dat bestemd is voor de financiering van milieuprojecten en infrastructuur (transeuropese netten) in landen “waarvan het BNP per inwoner lager is dan 90 procent van het Gemeenschapsgemiddelde”.

Verder wordt beloofd dat de hoogte van de bijdragen van de lidstaten aan de bestaande structuurfondsen zullen worden “gemoduleerd” om te voorkomen dat de begrotingen van de minder welvarende landen tezeer worden belast. Ook zal meer rekening worden gehouden met de “contributiecapaciteit” van de verschillende lidstaten. De manier waarop dat moet gebeuren wordt echter niet uit de doeken gedaan. Wat betreft de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken zijn de oorspronkelijke voorstellen afgezwakt. De huidige tekst bepaalt dat de EG-ministers met meerderheid kunnen besluiten over de vorm van een gemeenschappelijk visum. Voor de lijst van landen waarvoor visumplicht zal gelden moet echter bij unanimiteit worden beslist. In een noodsituatie, bij een plotselinge toestroom van asielzoekers, kan met gekwalificeerde meerderheidsstemming worden volstaan, maar niet langer dan zes maanden. Na 1996 zal over visapolitiek met gekwalificeerde meerderheid beslist worden.

De Twaalf kunnen gezamenlijk acties ondernemen inzake asielbeleid, immigratie, strijd tegen drugs en internationale fraude. Ook douane en politie kunnen dat doen. Beslissingen daarover moeten bij unanimiteit worden genomen, maar voor de uitvoering ervan volstaat een meerderheid. Over de industriepolitiek zegt het nieuwe verdrag dat de Gemeenschap ervoor zal zorgen dat de “voorwaarden die nodig zijn voor de competitiviteit van de industrie” bestaan. Communautaire activiteit zal erop gericht zijn de aanpassing van de industrie aan structurele veranderingen te versnellen, een “gunstige omgeving voor initiatief en onderneming in de Gemeenschap” aan te moedigen en dan vooral voor de kleine en middelgrote ondernemingen.