Arafat komt op moslim-top van 'n koude kermis thuis

Wie dacht of hoopte dat de inter-Arabische verdeeldheid als gevolg van de crisis in het Golfgebied tien maanden na de bevrijding van Koeweit uit Saddam Husseins handen wel was afgezwakt, kon op de islamitische top in Dakar het tegendeel leren. Irak had de bui al zien hangen, en was weggebleven. Maar PLO-leider Arafat was een van hen die dat nog hoopten. Hij kwam van een zeer koude kermis thuis.

Voor het eerst werd de vierjaarlijkse top van de Islamitische Conferentie Organisatie (ICO) in een zwart-Afrikaans land gehouden. De Senegalese president Abdou Diouf toonde zich publiekelijk beledigd dat slechts vijf van de 22 Arabische leiders waren komen opdagen. “Wij (de Afrikanen) hebben altijd meer respect voor de Arabieren getoond dan zij voor ons”, zei hij in een vraaggesprek met de Franse krant Le Monde. Hij had gelijk, de Arabieren zouden op een top in een Arabische hoofdstad vast wel zijn verschenen, en Israel heeft van die houding de laatste jaren ook veel profijt getrokken. Maar de Arabische opstelling had in principe niets met Afrika te maken: de wegblijvers wilden gewoon Arafat niet ontmoeten.

Arafat betaalt nog steeds de prijs, letterlijk, van zijn steun voor Irak na Saddams invasie van Koeweit. Hij was zondag als eerste leider in Dakar gearriveerd in de hoop op de top zijn banden te kunnen aanhalen met zijn vroegere financiers, de Arabische Golfstaten, die na de oorlog in het Golfgebied hun steun voor de PLO tot een minimum hebben beperkt, en steun te winnen voor zijn positie in het vredesproces in het Midden-Oosten. Maar hun vertegenwoordigers hadden hem nauwelijks meer kunnen beledigen.

“Geen gekus alstublieft”, voegde de Saoedische kroonprins Abdullah Arafat toe, toen die naar hem toerende om hem te omhelzen. De kroonprins week terug, en strekte zijn rechterhand zo ver mogelijk uit om Arafat op afstand te houden. Ook de Jordaanse koning Hussein, Saddams andere steunpilaar (maar door zijn afkomst toch in een andere orde dan Arafat die veel Arabische leiders al niet konden luchten of zien), werd gemeden. “Prins Abdullah keerde het hoofd af”, aldus een Saoedische getuige in Dakar.

Het was maar één station op Arafats lijdensweg. Zijn toespraak moest hij dinsdag in een halflege en onrustige conferentiezaal houden. “We strekken onze handen in alle eerlijkheid, vertrouwen en vriendschap uit naar al onze broeders, zelfs diegenen met wie we meningsverschillen hebben”, zei hij. Maar na afloop waren het applaus lauw en de felicitaties spaarzaam.

De laatste, schokkende vernedering kwam gisteren op de laatste dag van de top die wegens de geringe belangstelling met een dag was bekort. Toen verloor hij ook zijn gevecht om in de slotverklaring de sinds 10 jaar gebruikelijke verwijzing naar de Jihad, heilige oorlog, voor de bevrijding van de door Israel bezette gebieden, opgenomen te krijgen. De meeste delegaties, met voorop Egypte, waren van mening dat het nu, terwijl in Washington vredesbesprekingen aan de gang zijn, een verkeerd moment was om melding te maken van een Jihad. “Er was een consensus dat er geen noodzaak is voor een Jihad omdat we nu arriveren bij een vreedzaam proces”, zei een pragmatische Egyptische gedelegeerde. “We gaan niet morgen tegen Israel vechten.”

“U geeft ons wapens noch geld. En gaat u ons nu ook deze verklaring ontnemen”, vroeg Arafat de conferentie. “U kunt de Jihad niet met een spons wegwissen”, voerde hij aan. “Moet ik hun (de Palestijnen) vertellen dat u het woord Jihad uit de islamitische encyclopedie en het woordenboek hebt geschrapt?” Maar van de 45 leden van de organisatie steunden alleen Afghanistan, Maleisië en Soedan hem. “We bevestigen opnieuw onze vastbeslotenheid om de Israelische bezetting van Palestijnse en andere Arabische gebieden die sinds 1967 zijn bezet het hoofd te bieden”, meldt de slotverklaring uiteindelijk. Arafat stormde razend de zaal uit toen zij werd aangenomen.

Maar Arafat was niet de enige verliezer. Ook de Iraanse president Rafsanjani kon niet op enig resultaat bogen, ook al kwam hij goed voorbereid: zijn delegatie was gewapend met stapels boekjes waarin een Engelse tekst van zijn toespraak. Rafsanjani was de eerste Iraanse president die een islamitische top bijwoonde - die werd de afgelopen jaren geboycot wegens steun van de meerderheid voor aartsvijand Irak.

Het klimaat was niet gunstig voor het fundamentalistische Iran, zo bleek al uit een klaagzang in de krant Resselaat over het feit dat de wandelgangen van het conferentiecentrum “verstopt zitten met vrouwen die er schokkend uitzien” en dat men er zelfs “alcoholische dranken serveert”. Dit alles “zet het islamitische karakter van de conferentie op het spel”.

Iran is fel tegen het vredesproces in Washington, maar Rafsanjani slaagde er niet in de (weinige) positieve verwijzingen daarnaar uit de slotverklaring te houden. De steun van Syrië, zelf deelnemer aan dat vredesproces, dat het woord Israel overal gewijzigd wilde hebben in "zionistische vijand', hielp niet.

Een belangrijker nederlaag was dat de delegaties besloten de volgende top te houden in Saoedi-Arabië, Irans grootste rivaal als het om moslim-aangelegenheden gaat. De in eerste instantie als beledigend ervaren afwezigheid van de Saoedische koning Fahd werd gecompenseerd met gulle gaven. Had Saoedi-Arabië niet het conferentiecentrum in Dakar grotendeels gefinancierd? En de armste deelnemers zagen hun schulden kwijtgescholden. “Het lijkt erop dat zij die betalen degenen zijn die beslissen”, had de Soedanese minister van buitenlandse zaken, Ali Sahloul, al aan het begin van de top opgemerkt.