ANTARCTISCHE ARCHEOLOGIE; Toerisme, afval en runes en de eigen aanwezigheid als object van studie

Het gat in de ozonlaag is er weer, en dat betekent dat het begint te zomeren op Antarctica. Een half jaartje daglicht, temperaturen aan de kust iets boven nul, de onderzoekers en de toeristen komen uit hun winterslaap. De natuur ter plaatse zet zich al schrap.

Tijdens de Nederlandse Zuidpoolexpeditie van vorig jaar bezocht dr. Lauwrens Hacquebord van het Arctisch Centrum van de universiteit in Groningen een aantal verlaten bases. Hij inventariseerde de antieke rommel en observeerde kuddes bezoekende toeristen.

Hacquebords hoofddoel was Deception Island, een van de eilanden aan de punt van het Antarctisch Schiereiland, ten zuiden van Vuurland. Het is een van de noordelijkste stukjes Zuidpoolgebied. Zes weken lang verbleven hij en zijn collega's dr. J. de Korte en dr. W.O. van der Knaap op het onherbergzame en verder onbewoonde eiland. Bij het begin van hun verblijf was alles nog besneeuwd; bij vertrek was alles alweer besneeuwd. Ze zaten er, afgezien van een radioverbinding, volstrekt geïsoleerd. Alleen in geval van uiterste nood zouden ze, per schip of met een helikopter, geëvacueerd kunnen worden.

Zeehondenjagers

Het eiland werd aan het begin van de vorige eeuw ontdekt door Britse en Amerikaanse zeehondenjagers. Aanvankelijk dachten ze te doen te hebben met een groot eiland, maar het bleek een in wat land verpakt vulkaanmeer te zijn. Deze tegenvaller leverde het eiland zijn naam op.

In 911 werd Deception Island in gebruik genomen door Noorse walvisvaarders. Ze stichtten er een station waar de dode beesten konden worden verwerkt. De traan werd er uit het spek gekookt en wat er overbleef verwerkten de Noren tot mest. Erg lang duurde de Noorse aanwezigheid niet. Na twintig jaar hadden ze in de omringende wateren zo huisgehouden dat het station niet meer rendeerde. Wat er nog te vinden was aan walvissen moest van te ver worden gehaald.

"In de zeventiende en achttiende eeuw vingen de Nederlanders in de Noordelijke IJszee honderden walvissen per jaar,' zegt Hacquebord, die eerder de Nederlandse nederzetting Smeerenburg op Spitsbergen opgroef. "De Noren doodden er in deze eeuw duizenden per jaar. Ze vingen alle soorten: de blauwe vinvis, de Noorse vinvis, de bultrugwalvis, de potvis... Door de jachtdruk gaan walvissen na een tijdje zo'n gebied mijden.' De stoommachine maakte de vangst zelf en de verwerking zo efficient dat voor een aantal soorten al snel de uitroeiing dreigde. Pas in 1982 wist de Internationale Commissie voor de Walvisvaart ditgevaar te bezweren met een vangstverbod.

Na het verlaten van de basis kwamen de Noren nog regelmatig in de baai van het eiland terug met hun fabrieksschepen. "Ze konden dan zoet water innemen. Dat deden ze met waterbootjes van acht bij vier meter, die we nog hebben teruggevonden,' vertelt Hacquebord. "De bootjes werden op het strand volgepompt en dan overgetrokken naar het schip. Eenmaal langszij werd zo'n bootje dan met een slang leeggezogen. Afgedankte bootjes kregen een nieuwe bestemming als vangbak, ingegraven op het strand. Ook daar hebben we voorbeelden van gezien. Ze hebben ook nog geprobeerd om in de baai een stuwmeer aan te leggen voor smeltwater. Dat is niet gelukt doordat de bodem van het eiland zo poreus is. Het water zakte steeds weg.'

Na de Tweede Wereldoorlog vestigde de Engelse Falkland Islands Dependencies Survey een station in het voormalige bemanningsonderkomen van de walvisvaarders. "Ze herstelden de gebouwen en bouwden er wat bij,'aldus Hacquebord. "Ze deden er onderzoekswerk, maar het eigenlijke doel was het eiland bezet te houden. Hetzelfde deden ze op andere eilanden, zoals King George, Sydney Island en Faraday.'

Argentinië en Chili lieten zich niet onbetuigd en vestigden zich ook op Deception Island. Het Britse station kwam later onder zeggenschap van de British Antarctic Survey (BAS). In 1970 kwam aan de Britse aanwezigheid een eind door een vulkaanuitbarsting. Een van de modderstromen liep dwars door het Britse onderkomen. Het kerkhof van Noorse zeelieden werd onder een twee meter dikke laag modder bedolven. Andere delen van het eiland kregen een halve meter as te verwerken. Het Chileense onderkomen werd van de kaart geveegd, overigens zonder dat er slachtoffers vielen. De Britten redden het vege lijf, maar kwamen niet terug. Daarna kwam het alleen nog tot incidentele visites van Chilenen, Argentijnen en toeristen.

Hacquebord: "Ik wilde in de eerste plaats het Noorse station beschrijven en inventariseren. In de tweede plaats ben ik nieuwsgierig naar wat er in de loop der jaren met zo'n nederzetting gebeurt. Er hebben sinds het station werd verlaten heel wat zeelieden, toeristen en dergelijke rondgekeken. Om vernielingen maak ik me niet boos, ik wil alleen weten wat hun invloed is op wat ik aantref. De Germanen hebben op het einde van de Romeinse tijd waarschijnlijk vergelijkbare vernielingen aangericht in veroverde Romeinse legerkampen. Het kan dus zijn dat de archeologen heel verkeerde conclusies trekken uit wat ze aantreffen.'

"Ten derde wilde ik een indruk krijgen van de cultuurhistorische waarde van de overblijfselen op het eiland. En tenslotte ging het me om de invloed op het milieu van de menselijke aanwezigheid.'

Behalve de al genoemde attributen op het strand vond Hacquebord volop resten van stoomtechnologie rond het walvisvangststation. Er waren stoomketels om spek tot traan te smelten, stoomlieren om de walvissen aan stukken te trekken, een stoomzaag om de botten in handzame fragmenten te zagen en een guanomolen die de restanten van botten en uitgekookt vlees tot mestpulp maalde.

Het voornaamste produkt van de walvisvaart is altijd de traan geweest. Voor 1900 als brandstof in lampen en als smeerolie, en in deze eeuw is de traan vooral gebruikt bij de fabricage van margarine en zeep. Het vlees had destijds als zodanig geen waarde maar wordt volgens Lauwrens Hacquebord juist sinds het moratorium op de walvisjacht wel in bepaalde speciale restaurants in Japan gesignaleerd.

Hacquebord heeft gegevens verzameld over de bouw van de technische voorzieningen die hij vond. Door plaatjes met firmanamen is hij op het spoor gekomen van fabrikanten van benodigdheden voor walvisslopers in Noord-Amerika en Engeland. En dat op een Noors station. Dezelfde machines zijn ook in stations op South Georgia en in Australie gevonden - de walvisvaart was in het begin van deze eeuw al een waarlijk internationale industrie met een gestandaardiseerd machinepark.

De walvisvaarders zelf waren voornamelijk Noren. Van arbeidsvreugde hebben ze volgens Hacquebord geen last gehad. "Het was een ongastvrije omgeving en ze deden dag in dag uit hetzelfde werk, tot hun knieën in de uit elkaar getrokken walvissen. Er waren geen vrouwen, alcohol was verboden, het weer was mistig en regenachtig en ze waren vaak toch al somber van aard. Het is een fabel dat er veel geld werd verdiend. Natuurlijk, ze verdienden een jaarsalaris in een half jaar tijd. Maar daarna verdienden ze een half jaar niets, en dan moesten ze uit geldgebrek weer tekenen.'

Endemisch onder het personeel op Deception Island was de whalers disease, een term voor depressieve neerslachtigheid, niet zelden gevolgd door zelfmoord. Ook afgezien daarvan waren de risico's groot. In de periode van 1904 tot 1922 stierven ruim 200 walvisvaarders een niet natuurlijke dood. 61 deden dat op zee en 57 op South Georgia. Het kerkhof van Deception Island telde 29 lijken. De bezetting van deze basis bestond onder normale omstandigheden uit ongeveer 150 man.

Van het Noorse station zelf is verder bijzonder weinig over. Hacquebord moest zijn tweede interesse dan ook uitleven op de restanten van de BAS-gebouwen. Tegelijkertijd werd hij daarmee object van zijn eigen onderzoek. Omdat de sneeuw het plaatsen van de tenten moeilijk maakte, maakten de onderzoekers het zich gemakkelijk op de zolder van het bemanningsverblijf van de British Antarctic Survey. "Het gaat me erom of je aan de hand van het vondstcomplex nog kunt reconstrueren wat voor functie een gebouw heeft gehad, ondanks de verstorende invloed van latere bezoekers. In dit geval kan ik mijn bevindingen vergelijken met gegevens van de Britten over de oorspronkelijke bestemming van elke ruimte. In het geval van de Romeinen kunnen we dat niet.'

"De kamer van de verpleger bijvoorbeeld was nog goed te herkennen. Het leek wel een behandelkamer in een hospitaal. De dokter behandelde daar de mannen ook. Maar hoe gaat dat: bezoekers struinen rond, nemen iets op, lopen ermee weg en gooien het in een andere ruimte wee neer. Zo laten ze een spoor van voorwerpen achter. We vonden spullen van de arts overal: op de gang, op de zolder en buiten het huis troffen we flesjes en ampullen aan. Ook op zolder lag een aantal nummers van het tijdschrift "Science' uitgespreid onder een matras. In de hal en buiten lagen zakken steenkool uit het kolenhok die mensen kennelijk hebben willen verslepen, mogelijk voor een barbecue. En overal verspreid vonden we batterijen, kapotgegooide langspeelplaten en stukken van een Engelse vlag. Op de muur stonden anti-Engelse leuzen. Blijkbaar zijn er Argentijnen langs geweest.'

Deze archeologie van 20ste eeuwse nederzettingen is nieuw. Amerikaanse en Noorse collega's van Hacquebord zijn met vergelijkbaar werk bezig. De Noren op South Georgia, de Amerikanen hebben East Base geïventariseerd, de oudste Amerikaanse Zuidpoolbasis waar nog iets van over is. East Base werd in 1941 verlaten. Hacquebord is zeer tevreden met deze concurrentie. "Het is een aanwijzing dat ik iets zinvols aan het doen ben.'

De cultuurhistorische waarde van dergelijke lokaties wordt niet betwist. Het Amerikaanse werk op East Base komt voort uit een plan van de National Science Foundation (le en in gebruik zijnde bases van de VS schoon te maken. East Base is onder het Zuidpoolverdrag tot historisch monument uitgeroepen en krijgt daarom een speciale behandeling. Zelfs Greenpeace, dat het liefst alle verlaten bases compleet verwijderd zou zien, maakt een uitzondering voor deze officile monumenten. Overigens verwijdert Greenpeace binnenkort zijn eigen World Park Base op Ross Island. Nu het Zuidpoolverdrag in oktober is vernieuwd (met een 50-jarig verbod op mijnbouw) vindt de organisatie het niet meer nodig om permanent aanwezig te zijn op het continent. Greenpeace heeft het voornemen om ter plaatse geen sporen achter te laten.

Hacquebords vierde programmapunt, de invloed op het milieu van Zuidpoolbases, stemt minder vrolijk. Uit een van de tanks die zestig jaar geleden werden achtergelaten lekt olie. Er heft zich een dikke oliekoek gevormd. "De vogels hebben daar zeker van de lijden,' meent Hacquebord. "De pinguins bijvoorbeeld sjouwen er gewoon doorheen.' De activiteiten van de walvisvaarders hebben de oorspronkelijk voedselarme omgeving danig verrijkt met voedingsstoffen. Tegelijkertijd brachten de Noren onbewust "hogere' planten mee, die ter plaatse van nature niet voorkomen. Gewoon straatgras bijvoorbeeld. De vulkaanuitbarsting van 1970 heeft veel van deze menselijke sporen uitgewist. Sindsdien heeft de mosvegetatie zich hersteld, maar het gras is weggebleven. Wel gebruiken meuwen en sterns de restanten van de bebouwing om te nestelen. Rond die plaatsen hebben zich "mestbanken' gevormd waar de mossen welig tieren. Hacquebords collega Van der Knaap heeft een overzicht gemaakt van de mosgroei op verschillende plaatsen op het eiland.

Het derde expeditielid, J. de Korte, bestudeerde het broedsucces van de Zuidelijke Grote Jagers (Skua), een roofmeeuwensoort die leeft van eieren en kuikens van pinguins. De Korte inventariseerde daarnaast andere broedvogels op Deception Island.

De verdwenen Britten en de afwezige Argentijnen wedijveren met elkaar in smerigheid. Bij de Argentijnen noteerde Hacquebord "bulten' van bouwafval, blikken, lege vaten en glas, naast lekkende vaten met diesel en talrijke batterijen. De Britten hebben vlak bij een tegenwoordige "Site of Special Scientific Interest' (SSSI) een heuse stortplaats gehad waar nu brandblussers liggen, vliegtuigonderdelen zoals een complete motor en batterijen. In en om het station zelf vond Hacquebord behalve batterijen ook weer vaten mt dieselolie. Nabij het vroegere vliegveldje stonden vaten met kerosine, half of helemaal doorgeroest. Voor de Nederlandse onderzoekers vormde de kerosine een welkome aanvulling op de eigen brandstofvoorraad.

Terug van Deception Island kon Hacquebord de praktijken van twintig jaar en langer geleden vergelijken met de huidige, en wel op King George Island, waar de hoofdmacht van de Nederlandse expeditie verbleef in het Poolse station Arctowski. Hacquebord was niet onder de indruk. "Er is weinig verschil tussen toen en nu. Als je het maar in een gat stopt ben je het kwijt, lijkt de mentaliteit te zijn.'

Arctowski moet nog een van de schonere kampen zijn. Een expeditie van Greenpeace twee jaar geleden langs een groot aantal bases stuitte frequent op open stortplaatsen, riolen die zomaar op het oppervlaktewater of in de grond lozen en onverantwoorde vormen van afvalverbranding. Alleen op het laatste werden de Polen betrapt, en dan nog uitsluitend omdat Greenpeace geen enkele vorm van verbranding wenst goed te keuren. Arctowski verbrandt alleen papier, hout en voedselresten maar doet dat nagenoeg in de open lucht.

In de zes weken dat Hacquebord op Deception Island verbleef, werd het eiland maar liefst negen keer bezocht door schepen met toeristen. "Het is gemakkelijk toegankelijk en er is veel te zien. De stations natuurlijk, de kolonies Kaapse duiven en de pinguins, en verder zijn er ook warme bronnen. Het is immers een vulkanisch eiland. Gewoonlijk is er een reisleider bij, maar in niet meer dan de helft van de gevallen heeft die zijn groep goed geïnstrueerd over wat ze wel en niet kunnen doen. Vaak verstoren ze de vogelkolonies. Gemiddeld komen er circa 150 man per keer aan land. Voor veel reisorganisaties is het een vaste halte. Deception Island is een toeristisch centrum aan het worden.'