Worstfabriek in Israel zet Russische schilders in hangar aan het werk

TEL AVIV, 11 DEC. “Als Vincent van Gogh bij een bedrijf als Pikanti had kunnen schilderen, zou hij zijn oor niet hebben afgesneden,” lacht Deddi Jacobi. Hij is één van de directeuren van deze worstfabriek in het Israelische Rishon Lezion die 52 uit de Sovjet-Unie geïmmigreerde Russische kunstschilders in een grote hangar aan het werk heeft gezet. “Dit is zionisme,” zegt hij. “We hebben besloten deze Russische kunstenaars in loondienst te nemen en ze te laten schilderen wat ze ook maar willen. Als we dat niet deden, konden ze als schilders in Israel geen droog brood verdienen”.

De "kunstschildersfabriek' van Pikanti draait al enkele maanden op volle toeren. Aan de wanden van de grote hangar op het industrieterrein hangen tegen de duizend schilderijen die door de iedere dag klokkende schilders zijn geproduceerd. Meesterwerken zijn er niet bij. De reusachtige tentoonstelling maakt een nogal kitscherige indruk. Zouden naar Israel geëmigreerde Russische schilders, of zij die zich er voor uitgeven, niets beters kunnen dan het naäpen van Picasso, Vincent van Gogh en Franse impressionisten?

De directeuren van Pikanti bekommeren zich daar niet zo om. Het kan hen ook niet zoveel schelen of de schilders blijven of hun vleugels ergens anders misschien beter kunnen uitslaan. “We geven ze de kans voor een netto-inkomen van tegen duizend gulden per maand te werken. Ze hoeven geen cent uit te geven aan schildersspullen. Verf, doek en kwasten krijgen ze van ons.”

Tot dusverre heeft Pikanti 220.000 gulden geïnvesteerd in dit "zionistische schildersavontuur'. De directie hoopt dat dit geld door de verkoop van de aan de lopende band geproduceerde schilderijen naar de fabriekskas zal terugvloeien en dat er tenslotte ook winst zal worden gemaakt. Die kan dan weer worden geïnvesteerd in het aantrekken van nog meer schilders of het scheppen van werkgelegenheid voor uit de Sovjet-Unie geïmmigreerde beeldhouwers. Als het schildersavontuur van Pikanti echter op een verliespost uitdraait, komt er een einde aan. “We zijn natuurlijk geen filantropen,” zegt Deddi Jacobi.

Sedert vorige week de verkoop begon zijn 150 schilderijen voor prijzen tussen de vijfhonderd en duizend gulden van de hand gegaan. “Er zijn al vier schilderijen van mij verkocht,” zegt de negentienjarige Ginadi Kananski uit een stadje in de Oekraïne. “Ik hoorde op de radiozender voor Russische immigranten dat er bij Pikanti mogelijkheden zijn om te schilderen.” Na een korte proefperiode werd hij in het schildersgilde van de worstfabriek opgenomen. “Toen ik kwam zeiden ze me dat ik kon schilderen wat ik wilde en dat nog bijna duizend gulden per maand op de koop toe zou krijgen. Ik kan niet zeggen hoe blij ik ben. Anderhalf jaar heb ik naar werk gezocht en nu heb ik mijn plaats gevonden.” Ginadi Kananski's schilderijen zijn wat orgineler dan die van veel van zijn schilderende collega's. Zal hij zich in deze omgeving als kunstenaar kunnen ontplooien? “Ik doe wat ik in mijn hoofd heb,” zegt hij.

Het nieuws over de door Pikanti geschapen werkgelegenheid voor Russische schilders gaat als een lopend vuurtje door de aanzwellende joodse Russische gemeenschap. Dagelijks melden zich kandidaten aan voor werk in de "kunstschildersfabriek' op het industrieterrein van Rishon Lezion.

Daarnaast heeft Pikanti op eigen kosten klassen ingericht, waar immigranten Ivriet leren. De helft van de 650 personeelsleden van de goed lopende onderneming (met een omzet van tegen de 25 miljoen dollar per jaar), die in 1979 door Moshe Badash werd opgericht, wordt dan ook gevormd door nieuwe immigranten uit de Sovjet-Unie. Pikanti wil een voorbeeld zijn voor andere bedrijven en de in steeds grotere nood komende Russische immigranten in Israel werk en hoop verschaffen.

Israels president Chaim Herzog riep vorige week op tot het oprichten van gaarkeukens om hongerige Russische immigranten tegen een lage vergoeding of gratis dagelijks een warme maaltijd te verschaffen.