Vorming stadsregio Utrecht verloopt stroef

Het bestuur van de grote steden gaat dit decennium ingrijpende veranderingen tegemoet. Op allerlei manieren worden samenwerkingsverbanden geschapen met de omliggende gemeenten, terwijl het grootstedeljk bestuur zich steeds vaker opsplitst in wijken en deelgemeenten. Hoe zullen de vier grote steden er over tien jaar uitzien? Als eerste in een serie toekomstverkenningen: Utrecht.

UTRECHT, 11 DEC. Schaatsen in de polders, zeilen op de plassen en wandelen in de bossen. In het jaar 2000 hoeven de bewoners van Utrecht nauwelijks nog hun stad te verlaten voor het meest uiteenlopende vertier. Als alles meezit, is Utrecht dan een agglomeratie die negen omringende gemeenten omvat en zo'n 500.000 inwoners telt. En als het aan Zeist ligt, komt daar nog een rijtje gemeenten op de Heuvelrug bij. In dat geval kan de Utrechter dus ook nog kiezen voor een survivaltocht. Maar dan heeft de regio al een ware lijdensweg achter de rug in het streven naar gemeentelijke samenwerking.

In Utrecht kun je alle kanten op. Voor veel mensen en bedrijven is dat voldoende reden om zich in de Domstad te vestigen. Maar de toeloop is zo groot dat de stad vol raakt en geen kant meer op kan. In het verleden heeft Utrecht diverse pogingen ondernomen om met omliggende gemeenten tot samenwerking te komen, maar dat draaide telkens uit op een fiasco. De argwaan jegens het dominante Utrecht bleek onoverkomelijk.

Sinds het verschijnen van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening in 1988 is er toch iets veranderd. In die nota dreigde Utrecht uit de Randstad te worden gezet. Het rijk kreeg weer belangstelling voor de grote steden, maar Amsterdam, Rotterdam en Den Haag voelden er weinig voor om de daarmee gepaard gaande subsidies met Utrecht te delen. Met haar 230.000 inwoners steekt de Domstad immers mager af tegen nummer drie, Den Haag, met 440.000 inwoners.

De aanslag op Utrecht leidde tot een ongekend vertoon van eensgezindheid. Samen met de negen omringende gemeenten (De Bilt, Bunnik, Houten, Maarssen, Maartensdijk, Nieuwegein, Vleuten-De Meern, IJsselstein en Zeist) vormde de stad het Regionaal Beraad Utrecht (RBU), onder de behoedzame leiding van de rector magnificus van de Utrechtse universiteit, prof.dr J. van Ginkel.

Utrecht bleef bij de Randstad, maar verdere wapenfeiten heeft het beraad nog niet opgeleverd.

Het RBU koerst nu naar een hechtere samenwerking. Per 1 januari 1992 zullen de deelnemende gemeenten op basis van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen (WGR) tot samenwerking overgaan. Daarna wordt nog twee jaar gestudeerd op een passend bestuursmodel. Gisteravond besloten de burgemeesters van negen RBU-gemeenten, met uitzondering van Zeist, om zich binnen hun eigen gemeenteraden sterk te maken voor het WGR-model.

Intussen wordt al wel gewerkt aan een intergemeentelijk structuurplan. De samenwerking in de agglomeratie mag dan moeizaam verlopen - zie als voorbeeld de strubbelingen rond de voorgenomen annexatie van het tuinbouwgebied van Vleuten-De Meern -, maar met de werkzaamheden aan het structuurplan vervult de regio wel een voortrekkersrol ten opzichte van de andere stadsgewesten, zo menen betrokkenen.

Voor de gemeente Utrecht gaat de WGR-constructie echter “niet ver genoeg”. Er zijn volgens de stad te weinig waarborgen voor de uitvoering van het structuurplan. Bovendien zou de samenwerking zich niet moeten beperken tot de ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, verkeer en economie, maar ook andere beleidsterreinen moeten omvatten, zoals arbeidsmarkt, milieu en landschap.

De stad is voorstander van een rechtstreeks gekozen agglomeratieraad. De afzonderlijke gemeenten blijven dan verantwoordelijk voor de beheers- en verzorgende taken. Als zo'n agglomeratieraad eenmaal is gevormd, overweegt Utrecht binnen haar eigen grenzen tot decentralisatie over te gaan. Het gemeentebestuur wil de stad dan opsplitsen in een aantal delen die ongeveer dezelfde omvang en dezelfde bevoegdheden hebben als de overige RBU-gemeenten. Aan de overheersende positie van Utrecht zou dan automatisch een eind komen.

Dit soort vernieuwingen is koren op de molen van een partij als D66. De democraten zijn niet overtuigd van de wil tot samenwerking bij de afzonderlijke gemeenten en willen daarom al bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 een agglomeratieraad vormen.

Dat gaat RBU-voorzitter Van Ginkel iets te snel. “Ik ga uit van de gegevenheden. De gemeenten hebben nu nog belangrijke wettelijke bevoegdheden. Zo lang dat niet verandert, is dat het gegeven waarmee je moet werken. Het sterke punt van het RBU is dat het steeds als groeimodel is gehanteerd. Er worden nu zaken besproken die jaren geleden ondenkbaar waren. Men is nu bereid om met dat Intergemeentelijk Structuurplan op een kar te springen, waarvan men niet weet waar hij uitkomt.”

Juist die onzekerheid is voor de gemeente Zeist een reden voor grote reserve. De gemeente heeft besloten slechts als waarnemer aan het RBU deel te nemen en alleen op projectbasis samen te werken. Burgemeester R.G. Boekhoven is bevreesd dat de huidige samenwerking in het RBU alleen gebruikt wordt om een aantal acute problemen van de stad Utrecht op te lossen. “Het gaat nu slechts om landjepik en goudroof”, aldus Boekhoven, die daarbij doelt op de Utrechtse annexatieplannen jegens Vleuten-De Meern. “Het is nu slechts een korte-baanwedstrijd, die gedoemd is te mislukken. Ik ben de eerste die weer in de boot stapt, als de discussie over ordentelijke samenwerking gaat.”

De Zeister burgemeester wil dat “Utrecht eerst maar eens uitlegt hoe zij de artikel 12-problemen oplost, anders dan met gebiedsuitbreiding. Ik krijg last van opmerkingen in de trant van: wij moeten woningen aan onze Utrechters toewijzen. Wat gek, denk ik dan, want we zouden toch van één woningmarktgebied uitgaan?” Boekhoven erkent dat de opstelling van zijn gemeente met 60.000 inwoners “ook een klein beetje strategie is. We hoeven ons toch niet direct als gewillige bruid op te stellen?”

Een teer punt voor Zeist is de relatie met haar achterland. De gemeente maakt nu nog deel uit van het Samenwerkingsverband Zuid-Oost Utrecht met zo'n dertien kleine gemeenten op de Heuvelrug. Daarmee heeft Zeist allerlei functionele relaties. Het liefst wil Boekhoven van de hele provincie één groot WGR-gebied maken, maar die optie is nogal twijfelachtig. In het uiterste geval wil Zeist met een deel van de Heuvelrug toetreden tot het Regionaal Beraad Utrecht. Tevreden toont Boekhoven een brief van staatssecretaris De Graaff-Nauta (binnenlandse zaken), die dit “een mogelijkheid” noemt.

Van de Heuvelrug heeft de stad Utrecht echter niet veel te verwachten. “Zeist kan geen enkele bijdrage leveren op het gebied van wonen”, verzekert Boekhoven. “En wij offeren ons groen niet op voor grootschalige bedrijfsterreinen.”