Roemeens-Duitse schrijver Richard Wagner over de logica van Securitate; Romans als protocollen van een exodus

“De experts van de staatsveiligheidsdienst zijn mijn trouwste lezers,” zegt de schrijver Stirner in Richard Wagners roman Ausreiseantrag (1988). Voor dit boek en het een jaar later verschenen Begrüßungsgeld putte de Roemeens-Duitse schrijver Wagner (1952) uit eigen ervaringen. Beide romans zijn protocollen van een exodus die nu al jaren aan de gang is; jaarlijks verlaten vele tienduizenden Duitsers uit de streken Zevenburgen en het Banaat, de zogenaamde "Banater Zwaben', Roemenië.

Onlangs bezocht Richard Wagner Amsterdam op uitnodiging van de Stichting Culturele Uitwisseling. Hij legde zojuist de laatste hand aan een essay over de revoluties in Oost-Europa dat in de lente zal verschijnen, en las op enkele scholen voor uit eigen werk. Met name het laconieke karakter van zijn gedichten sprak bij de Nederlandse leerlingen tot de verbeelding. Een goed voorbeeld is het korte gedicht Berging:

Die jongen- in het water daar,- op de bodem daar,- die wordt geen soldaat.

Zelfmoord als de enige mogelijkheid om aan militaire dienst te ontkomen in een staat waar het volk als kanonnenvoer beschouwd wordt. “Al vanaf je zestiende levensjaar kon je informant van de Securitate worden. Scholieren legden dan een examen af dat besliste of ze verder mochten studeren of niet. Veel leraren waren zonder meer bereid om weerspannige leerlingen te laten zakken. Wilde je studeren, dan moest je gemene zaak maken met de staatsveiligheidsdienst.” Wagner weet waarover hij spreekt. Hij was jarenlang zelf leraar, totdat het werken hem onmogelijk gemaakt werd.

Wat zijn uw eigen ervaringen met de Securitate?

“De Securitate benaderde mij in 1977 voor het eerst. In de Westduitse Frankfurter Rundschau was een artikel verschenen over de beroerde situatie waarin de Duitse cultuur in Roemenië verkeerde. De Securitate vroeg mij een tegen-artikel te schrijven. Was ik immers niet het levende bewijs voor de grote vrijheid waarin minderheden in Roemenië hun eigen cultuur konden uitleven! Ik zei dat ik me bij hen zou melden als ik wat op papier gekregen had en liet vervolgens een half jaar voorbij gaan zonder iets te doen. Toen de heren van de Securitate ten slotte zelf maar langs kwamen scholden ze me de huid vol: ik had ze "bedonderd'. Voor één keer moest ik ze gelijk geven.”

Is dat alles?

“In 1984 beleefden we, vijf jaar nadat de zanger Wolf Biermann uit de DDR verbannen was, onze eigen "Banater Biermann-affaire'. De schrijversbijeenkomsten plachten we af te sluiten met het beluisteren van bandopnamen van bekende Duitse schrijvers. Die avond waren we van plan om naar liederen van Biermann te gaan luisteren, maar de Securitate was door de ambassadeur van de DDR op ons afgestuurd. Die probeerde ons "socialistisch realisme' bij te brengen. In plaats van naar Biermann luisterden we toen naar een andere zanger.”

Wagner lacht honend bij de herinnering en legt uit dat het Ceausescu-regime niet in "stijlen' geïnteresseerd was. De grote leider zelf was immers vrijwel analfabeet; socialistische theorie kende hij alleen uit uittrekselboekjes die niet dikker dan 25 bladzijden mochten zijn. Ceausescu's spraakgebrekjes en taalfouten vormden een bron van vermaak onder het volk. Bij zijn toespraken stond zijn tekstschrijvers het zweet in de handen; hij week nog wel eens van het geschreven woord af wanneer hij op dreef kwam en dan was er geen touw meer aan vast te knopen. Zolang echter het socialisme en de verpersoonlijking daarvan, de alomtegenwoordige Conducator, maar bezongen werd, mocht dat zelfs op surrealistische wijze gebeuren.

“De heren van de Securitate hadden voor die "Biermann-avond' de jongste en onbekendste schrijver van onze groep uitgezocht, die ze probeerden te intimideren en die ze tenslotte zelfs in elkaar hebben geslagen. Toen we later officieel tegen deze behandeling protesteerden werd alles ontkend. Voor mij was dat een signaal; het systeem verdroeg geen kritiek, het socialisme kon blijkbaar niet van binnenuit worden veranderd. Ik weet niet zeker of het volgende op waarheid berust, maar het gerucht deed de ronde dat boeken van "lastige' schrijvers, zoals ikzelf, door de Securitate werden opgekocht. Die boeken gingen in de papiermolen, waarna er van hetzelfde materiaal opnieuw "lastige' boeken konden worden gemaakt. Je boeken lagen even in de etalage, maar niemand kon ze lezen.”

Hoe denkt u over de ondergang van de Duitse cultuur in Roemenië?

“Ik kan er niet om huilen. Het is voor mij een stimulans om verder te schrijven. Bovendien is het interessant om te kijken welke logica er achter zo'n fenomeen zit. Die cultuur in Zevenburgen is er ook niet altijd al geweest en het Banaat werd pas in de achttiende eeuw door Zwaben gekoloniseerd. Vergelijk de ondergang van deze cultuur met die van de Duitstalige literatuur in Praag en Czernowitz. De schrijvers emigreerden, maar ze bleven schrijven. Veel van wat er in het Banaat geschreven werd had een uitgesproken provinciaal karakter: Heimatliteratuur. In het Westen wordt wel eens gedacht dat een literatuur die een schrijfster als Herta Müller oplevert, ontzaglijk rijk moet zijn, maar Herta Müller steekt met kop en schouders boven iedereen uit.”

Wagner en Müller kregen in 1987 pas toestemming om Roemenië te verlaten, nadat zij met een hongerstaking gedreigd hadden. “Het was gebruikelijk dat iedere emigrant smeergeld betaalde om een visum te krijgen. De Bondsrepubliek betaalde sinds 1978 sowieso achtduizend Mark per persoon. Zo kwam de staat op lucratieve wijze van een minderheid af die men toch al graag kwijt wilde. Herta Müller en ik hebben geen cent betaald.”

In "Begrüßungsgeld' schrijft u dat het leven in Duitsland niet is wat men er in het Banaat van verwachtte.

"Ik ben in Duitsland een vreemdeling, maar in Roemenië was dat pijnlijker. Een vervelend trekje van Duitsers is wel dat ze zo sterk de behoefte hebben je ergens bij in te delen. Ik heb een jaar in Rome gewoond. Niemand vroeg me daar waar ik vandaan kwam. Maar ik was nog geen dag terug in Berlijn, of een winkelier begon alweer met handen en voeten tegen me praten, net alsof ik de taal niet machtig was.'' Ter illustratie van zijn "on-Duitse' accent laat Wagner zijn "R" wellustig rollen.

“Overigens kwam het in Rome van pas dat ik Roemeens kan spreken. Ik werd een keer lastig gevallen door zigeuners. Terwijl ik Duits en Italiaans tegen ze sprak bleven ze maar aan mijn jaszakken frunniken, maar toen ik een Roemeense krachtterm gebruikte, stoven ze weg. Eindelijk begrepen ze dat er bij mij niets te halen viel.”