Praagse belevenissen

Ik ken de familie. In 1944 heb ik een week lang in hun archief op het kasteel Drná (Zuid-Bohemen) gewerkt. De graven Wratislav behoren tot de oeroude Tsjechische adel, hetgeen ook blijkt uit hun eigenaardige wapen, verticaal rood-zwart, mars et mors is de leuze. Ik was toen vooral geïnteresseerd in het dagboek van één van de voorouders, die aan het hof van Elisabeth van Rusland als Oostenrijks ambassadeur verbleef en daar meehielp met het ontketenen van de Zevenjarige Oorlog. Door omstandigheden kwam van mijn onderzoek niets terecht en nu vrees ik dat die interessante bron voorgoed verloren is gegaan, evenals het fraaie portret van de Russische keizerin dat de eetzaal van het kasteel sierde.

Op het scherm zie ik de zoon des huizes, graaf Václav Wratislav, nu een gezette man van rond de zeventig, wit haar en snor, die over zijn lotgevallen vertelt. Nadat de landhervorming van de Eerste Wereldoorlog het landbezit van de Wratislavs al had besnoeid (voor de verkavelde gronden werd toen overigens een behoorlijke schadeloosstelling betaald) maakte het communistische regime korte metten met de gehate feodalen. Alle bezittingen werden in beslag genomen, met inbegrip van meubelen, kunstwerken en familiezilver, waar de gretige partijgenoten wel weg mee wisten. Veel werd trouwens indertijd ook gewoon vernield. De zoon mocht weliswaar op het landgoed blijven wonen, doch werd in het landbouwgenootschap, lees kolchoze, als bosarbeider aangesteld.

Men stelle zich voor, veertig jaar lang in eigen bossen als ondergeschikte van een ander te moeten toezien hoe onverantwoord, hoe roekeloos met de bossen en het wild werd omgesprongen. De bejaarde graaf vertelt hierover zonder bitterheid, met een minzaam soort van galgenhumor die ontroert.

Ten tijde van de Praagse lente toen een Nederlandse tv-ploeg, ik meen van de IKON, een programma over de ci-devants, de gewezen aristocraten in Tsjechoslowakije, maakte, heeft graaf Wratislav zich wijselijk van deelname onthouden, hetgeen hem de represailles bespaarde, waaraan andere standgenoten later werden blootgesteld. Op de vraag van de tv-reporter of hij, in het kader van de huidige reprivatisering, aanspraak zou maken op de familiebezittingen, antwoordt de edelman bedachtzaam. Het half-vervallen en totaal leeggeroofde kasteel, wat zou hij ermee moeten beginnen? Geld voor de restauratie heeft hij niet en er een hotel of iets dergelijks te beginnen, vindt hij geen aantrekkelijk idee. De bossen, ook wegens de ecologische schade, zijn er slecht aan toe en het bouwland, vijftienhonderd hectares groot, vraagt ook de nodige investeringen. Inmiddels heeft het landbouwgenootschap in het afgelopen jaar een tekort van 26 miljoen kcs opgeleverd, wat moet een onbemiddelde oude heer met zulk een erfenis?

Graaf Wratislav wil eigenlijk alleen de vijvers terug. De teelt van karpers en andere zoetwatervissen kan hier, ook bij matige investeringen en werkinspanning, redelijke winsten opleveren. Vergeleken met de beminnelijke doch duidelijk geresigneerde houding van graaf Wratislav toont een andere aristocraat, graaf Jindrich Kolowrat, een groot zelfvertrouwen. Deze krasse heer (jaargang 1897), ooit Tsjechoslowaaks ambassadeur in Ankara, was na 1948 naar Amerika vertrokken, waar hij een bloeiend industrieel bedrijf opbouwde. Sinds kort terug in het oude vaderland, hoopt hij zijn onderneming op het gerestitueerde landgoed Diana - ongeveer tien kilometer van de grensovergang Rozwadov verwijderd - voort te zetten. De journalisten, die met hem over zijn plannen kwamen spreken, nodigde hij uit om over vijf jaar terug te komen.

Graaf Kolowrat behoorde tot degenen die op 28 oktober door de president met de nieuwe Orde van T.G. Masaryk werden gedecoreerd. Deze lintjesregen op de Praagse burcht was een merkwaardige gewaarwording. Ongeveer driekwart van de onderscheiden personen was overleden, de orde werd dus aan hun nabestaanden uitgereikt. De levenden die de onderscheiding kregen moesten ouder dan zeventig jaar zijn. Nederlanders, die deze gang van zaken wonderlijk vinden, moeten bedenken dat de Tsjechische cultuur op het gebied van de dood, gestorvenen en hun nagedachtenis nu eenmaal anders is dan de onze. Misschien een relict van de oud-slavische vooroudercultus, zeker een gevolg van de soms morbide bezetenheid van de dood die de barok kenmerkt. Zeer aanschouwelijk is dat op Allerzielen, als alle kerkhoven met bloemenpracht, brandende kaarsen en stromen bezoekers tot drukke ontmoetingsplaatsen van levenden en doden worden.

Boven het huis waar ik nu woon ligt de voormalige vesting Vysehrad, eens de zetel van de heidense Tsjechische vorsten. Op deze berg, die hoog boven de Moldau uittorent, ligt behalve een drietal kerken, waaronder een fantastische romaanse rotonde (rond kerkje) van St. Maarten uit de elfde eeuw, een beroemd kerkhof, genaamd Slavn, een Tsjechisch Pantheon met vele graven van beroemde persoonlijkheden. Dvorak, Smetana, Fibich en tal van andere kunstenaars hebben daar hun laatste rustplaats en ofschoon hun nabestaanden al lang niet meer onder de levenden zijn, liggen er op hun graven nog altijd verse bloemen en vaak branden er ook kaarsen.

Heel bijzonder is het graf van de schrijfster Bozena Nemcova (1817-61). Deze onwettige dochter van - naar men nu algemeen aanneemt - Dorothee de Talleyrand-Périgord, geboren Biron von Kurland, heeft naast haar beroemde roman Babicka (Grootmoeder) ook volkssprookjes verzameld, die nu nog ijverig door kinderen worden gelezen. Dit verklaart dat men op haar graf nog altijd briefjes en tekeningen van scholieren aantreft die op deze manier met haar proberen te communiceren. Ongelofelijk maar waar.