Op weg naar 1999

ER WAREN ZEKER vier zaken waarmee John Major vandaag, teruggekeerd uit Maastricht, niet voor het Lagerhuis kon verschijnen. Het ging om het F-woord (van federaal), het S-woord (van sociaal), een verplichting het pond sterling in de ecu te doen opgaan en een onderschikking van de West-Europese Unie (van negen, straks tien lidstaten) aan de Europese Politieke Unie van de Twaalf.

Ieder van die vier onderwerpen was voor de Britse premier een breekpunt, gezien de kloof in zijn eigen partij tussen thatcheristen en Europeanen en gezien de opdracht die hij van het Britse patronaat had meegekregen. Op alle vier punten hebben het Franse staatshoofd en de tien collega's Major genoegdoening gegeven.

Het voornaamste hoofdstuk in de maandenlange onderhandelingen over een nieuw Gemeenschappelijk verdrag betrof vanzelfsprekend de oprichting van een Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) en van een communautaire centrale bank alsmede de instelling van één Europese munt, de ecu. Maar de topbijeenkomst liep gisteren bijna stuk op het sociale beleid, een onderdeel dat in de achterliggende maanden verscholen lag achter de glamour van onderwerpen als federalisering, democratisering en de schepping van een Europese defensie-identiteit. De gemoederen raakten in de laatste uren van de top verhit over de vraag of de arbeidsuren van de Europese werknemer gemeenschappelijk mochten worden genormeerd.

Dat mag dus niet. Na urenlange massage, na een sessie in de biechtstoel van voorzitter Lubbers begrepen de partners tegen het middernachtelijke uur dat zij ook op het punt van het sociale beleid de Britten hun zin moesten geven, op straffe van een mislukking van "Maastricht' en een wellicht jarenlang voortdurende impasse in de ontwikkeling van de Gemeenschap. De sociale paragrafen zijn nu uit de verdragstekst verwijderd en opgenomen in een apart protocol. Wat dat juridisch betekent is betrekkelijk onduidelijk, maar de nieuwe constructie moet "de elf' in staat stellen om, met Britse stilzwijgende instemming, voortgang te maken zonder dat de weigerachtige Britten door communautaire instellingen als Commissie en Hof op de nek kunnen worden gesprongen.

DE IN MAASTRICHT geknoopte lappendeken van communautaire en intergouvernementele bepalingen, het uiteenvallen van de Europese falanx in verspreide eenheden die ieder op verschillende terreinen hun eigen tempo bepalen, mag een diplomatiek succes worden genoemd, maar schenkt politiek onvoldoende bevrediging. Hoop doet leven is het motto van mannen als Kohl en Lubbers - die alvast een voorschot hebben genomen op de ontwikkelingen tot, zeg, 1999. Tegen die tijd immers, zo luidt de profetie, heeft Londen begrepen waar zijn belangen liggen en zullen de Britten zich, zoals eerder al vaak het geval was, bij de Europese rij aansluiten. Wat de monetaire eenwording betreft is dat zeker te verwachten, maar sociaal gesproken is het niet ondenkbaar dat "de elf' de komende jaren eerder een eindweegs zullen opschuiven in de richting van het Britse standpunt. De Britse waarschuwing dat de concurrentie de Gemeenschap niet veel sociale bewegingsruimte zal laten, is niet ongegrond.

De gemaakte afspraken zijn niet zonder risico. De aanvaarde onomkeerbaarheid van de ontwikkeling naar een EMU toont fraai, maar bergt het gevaar in zich dat het Europese bindmiddel eerder verzwakt dan versterkt raakt. Gezien de financieel-economische toestand waarin de meeste lidstaten van de Gemeenschap zich momenteel bevinden zal het een grote krachtsinspanning vergen om, zelfs in 1999, de dwingend voorgeschreven uiterste termijn, een gezelschap landen bijeen te brengen dat aan de strikte voorwaarden kan voldoen. En zelfs als een zes- à zevental staten de "tour de force' kunnen volbrengen, wat is het perspectief van een Gemeenschap waarvan een vijf à zes leden de tot dusverre wezenlijkste stap naar vergemeenschappelijking van Europa niet kunnen meemaken? En hoe groot zal dan de druk worden om de voorwaarden maar wat minder strikt toe te passen?

Op een dergelijke versoepeling is in Maastricht al gepreludeerd. Niet alleen de statistieken zullen uitsluitsel geven over de monetaire bekwaamheid van een lidstaat, de politieke beoordeling van een en ander zal beslissend zijn. Weliswaar binnen zeer nauwe marges, wordt gezegd, maar bijvoorbeeld vanuit Rome zou een debat kunnen worden uitgelokt over de bandbreedte van die, tot verrassing van de centrale banken, beloofde tolerantie. In Duitsland is deze week een grondgolf van wantrouwen ontstaan over het verloren gaan van de harde mark aan een zachte ecu. Die golf zal nu wel wegebben, maar zij kan ieder moment weer oprijzen wanneer de Duitse angst voor uitholling van het betaalmiddel voedsel wordt gegeven.

UITEINDELIJK HEEFT in Maastricht pragmatisme de boventoon gevoerd. De hoofdzaak is geweest om ondanks de diepgaande en vaak strategische verschillen van mening het gezelschap in beweging te houden. Dat is min of meer gelukt. De hoge sprongen die sommigen met betrekking tot de buitenlandse en veiligheidspolitiek tot voor enkele maanden nog in gedachten hadden, zijn achterwege gebleven. Het verdrag plaatst wijselijk de Europese identiteit in een Atlantische context. Aan de positieve betekenis van de Britse inbreng op dit punt behoeft niet te worden getwijfeld.

Nederland heeft zich onder leiding van premier Lubbers als voorzitter gerehabiliteerd. Waarmee niet gezegd wil zijn dat de oorspronkelijke Nederlandse voorstellen beneden de diplomatieke en intellectuele maat zouden zijn geweest. Alleen, Den Haag had zich vertild aan de combinatie van een eigen inbreng naar Nederlandse snit en de, op verzoening gerichte, opdracht van het voorzitterschap. Wie in de aanloop naar Maastricht nog mocht twijfelen, heeft in het Limburgse Provinciehuis zekerheid gekregen: Nederland heeft zich zeker in de slotfase een waardig, vasthoudend en vooral inventief voorzitter getoond.

Daarmee zijn veel Nederlandse verlangens niet gehonoreerd. Bijvoorbeeld het plan om voor de totaliteit van het verdrag een communautair en meer gedemocratiseerd mechanisme op gang te brengen moest worden opgegeven. In Nederland zelf is achteraf ten onrechte het verwijt geuit dat Den Haag zich aan de eigen ijdelheid had opgehangen. Maar wie de tolerantie ziet in het gezelschap van de Twaalf voor nationale eigenaardigheden, ook die van kleinere lidstaten, kan dat verwijt niet al te lang volhouden. Nederland heeft zijn taak vervuld: Maastricht heeft een aanvaardbaar resultaat opgeleverd, niet een schitterend resultaat, maar die constatering weerspiegelt nu eenmaal de Europese werkelijkheid. De Gemeenschap is op weg naar 1999. Dat zij daar aankomt, staat nu vast. Hoe zij daar aankomt, blijft een vraag die 'Maastricht' niet heeft opgelost.