Jawel, moeten we zeggen tot hen die tot hun spijt ...

Jawel, moeten we zeggen tot hen die tot hun spijt constateren dat de rol van het woord minder wordt en die van het beeld toeneemt, jawel: de kracht van het beeld is groot. En is dat altijd geweest.

De nagenoeg betoverende kracht.

Die macht stijgt ver uit boven de rol van supplement van het woord en van contrast met het woord - en maakt de tegenstelling tussen het verbale en het visuele tot een propositie die uit de mond van tijdgeestvorsers veel spitsvondigheden, bloemrijke algemeenheden en detailkritiek weet te baren, maar die in laatste instantie onvruchtbaar is.

Er zijn beelden die door het woord geïnterpreteerd, verdrongen of ontregeld kunnen worden.

Maar er zijn ook beelden die geen interpretatie nodig hebben.

Hoe is het gesteld met ons vermogen een beeld - een slagveld, een zonsondergang - zuiver te zien, zonder esthetiek, zonder afleiding, met alleen de emotie van de stagnatie?

Welke rol spelen in ons hoofd de abstracte beelden - de woordloze van vóór het woord?

Vragen wij ons wel voldoende af wat wij in ons geheugen aan beelden meedragen die oorspronkelijk woorden waren? Uit hoeveel herinneringen aan situaties in ons geheugen de conversatie is weggezuiverd?

Waarom richt onze maatschappelijke bezorgdheid zich nooit tegen de ook lang niet altijd verheffende beeldcultuur voor ons geestesoog?

Hoeveel verschrikkelijke beelden bestaan er die door geen woorden zijn te verdringen?

Ofwel, al die vragen bijeengenomen: hoe is het met ons kijken gesteld?

Ons kennelijke onvermogen tot beleving en waardering van het statische, en onze verbale gêne als het om de categorie van abstracte beelden gaat, geeft me twee overwegingen in de pen.

Ten eerste heb ik de indruk dat alle kritiek op de televisie betrekking heeft op het feit dat de beelden bewegen, dat ze snel voorbijschieten en om die reden wel oppervlakkig moeten zijn.

Nu is het een voorwaarde voor televisiebeelden dat ze bewegen, dat begrijpt men ook wel, maar vervolgens houdt de kritiek zich bezig met de ridiculiteiten van het oppervlakkige resultaat, zonder ooit eens in te gaan op de afstomping bij de betere kijker ten opzichte van beelden die niet of niet snel genoeg bewegen.

Wel krijgt - als "gevaarlijk' uitvloeisel van de televisie - de afstomping ten opzichte van het woord en de taal de volle laag, maar nooit de bedreiging die de televisie vormt voor het beeld zelf.

Intussen heeft er een moordpartij op de statische ontroering - het summum van onze perceptie, de belangeloze extase - plaats.

In ons televisietijdperk vormt het beeld eerder een bedreiging voor het beeld dan voor het woord.

Dat ten eerste.

Ten tweede komt het me voor dat, hoewel het mooi is de kijkers te leren lezen, het niet minder noodzakelijk is de lezers te leren kijken.

Wat hun onderscheidings- en selectievermogen betreft lopen ze in de omgang met het beeld nogal achter.

Het is waar dat veel visueel ingestelde mensen moeilijk met het woord kunnen omgaan, om het vriendelijk uit te drukken, maar het is eveneens waar dat veel mensen die zich op de beheersing van het woord laten voorstaan en die flauwvallen van een spelfout bitter weinig kijk hebben op beelden en op de mechanismen, signalen en immanente gebruiken die aan het visuele vastzitten.

Het is vaak verbazingwekkend hoe cru en onkundig ze zich tegenover de beelden die zich aan hen voordoen gedragen.

We spreken denigrerend over an-alfabeten, maar hoe noemen we die lui? An-iconoten? Non-iconoten? Nihiliconoten?