Jacht op Stasi-informanten dreigt op bijltjesdag uit te lopen; Degenen die het niet kunnen verdragen dat ze wellicht zijn verraden door hun beste vrienden, kunnen hun dossier beter niet opvragen

Duitsland is dezer dagen weer in de ban van een "Vergangenheitsbewältigung', een verwerking van het verleden. Dagelijks zijn er meldingen van politici wier DDR-verleden hen tot aftreden dwingt en van dominees of hoogleraren die uit hun ambt worden verwijderd, omdat ze voor de staatsveiligheidsdienst (Stasi) hebben gewerkt.

Enkele weken geleden werd de landraad van Jüterborg, Siegfried Jausch uit de sociaal-democratische fractie van het parlement in Brandenburg gezet, omdat uit zijn Stasi-dossier bleek dat hij meer dan tien jaar als informant heeft gewerkt. Drie dagen later was Jausch terug: hij kon bewijzen dat zijn medewerking op afpersing berustte.

Nadat hij in de jaren zestig in Berlijn wegens een verkeersdelict in hechtenis was genomen, werd hij door de Stasi tot medewerking verplicht. Vervolgens verhuisde hij van de hoofdstad naar het provincieplaatsje Jüterborg om daar als dierenarts te werken. De Stasi dwong hem informatie te verschaffen over het verzet tegen de collectivering in de landbouw, maar omdat hij hierover slechts algemene berichten leverde, ontsloeg de Stasi hem in 1974 van medewerking. Op grond van deze feiten heeft het Brandenburgse parlement nu besloten hem als slachtoffer van de geheime dienst te beschouwen en niet als dader.

Het geval-Jausch is één van de vele die in de ex-DDR de gemoederen bezighouden. Bij de administratie van de voormalige Stasi-archieven (in de wandeling naar haar leider de "Gauck Behörde' genoemd) zijn langzamerhand veel aanvragen in behandeling die betrekking hebben op leden van de nieuwe parlementen, op hoogleraren en voormalige rechters die op hun herbenoeming wachten. Menig afgevaardigde heeft zijn parlementszetel moeten opgeven, sommige ministers waren gedwongen af te treden en ongeveer de helft van de solliciterende rechters heeft te horen gekregen dat ze een andere baan moeten zoeken.

Bijzondere opschudding veroorzaken de onthullingen over degenen die actief waren in de burgerbewegingen die hebben bijgedragen aan de omverwerping van het DDR-bewind. Professor Fink, theoloog aan de Humboldt Universiteit en na de "Wende' tot rector gekozen, is één van hen. Voorheen stond hij bekend als activist bij de Christelijke (ofwel Praagse) Vredesconferentie, die door de Westduitse inlichtingendiensten als communistische mantelorganisatie werd beschouwd. Fink trad ook bij internationale conferenties op voor de vredespolitiek van de DDR. Hij was één van de geprivilegieerden die makkelijk naar het buitenland konden reizen. Hij heeft echter ook een aantal mensen kunnen helpen met behulp van deze privileges.

Toen hij na de "Wende' tot rector werd gekozen, haalde hij zich de woede van de Westberlijnse senator voor wetenschappen op de hals door steevast de externe zuivering van het universiteitspersoneel tegen te houden. Hij had echter ook vele wetenschappers tegen zich, omdat hij hardhandig een interne zuivering doorvoerde. Fink poogde de Humboldt Universiteit van binnenuit te hervormen.

Nu boven tafel is gekomen dat er sinds 1969 een dossier bestond met Stasi-berichten van en over Fink, zijn de fronten onverzoenlijker dan ooit. Het dossier is helaas verdwenen, alleen de verwijzing is nog in de kaartenbakken te vinden. Niettemin is Fink door de senator voor wetenschappen op staande voet ontslagen. Hij blijft zichzelf echter als rector beschouwen en heeft procedures bij de arbeidsrechter en het administratieve hof aangespannen. De academische Senaat en de studentenraad van de Humboldt Universiteit hebben zich achter hem geschaard. Zij beschouwen hem als hun fungerende rector, terwijl de senator een vervanger heeft ingezet. De rectorsverkiezingen van komend jaar zijn uitgesteld. Na een staking van enkele dagen wordt er weer college gegeven.

Met de zaak-Fink is de Koude Oorlog herleefd, al wordt hij nu met de democratische middelen van de rechtsstaat uitgevochten. Terwijl het administratieve hof van Berlijn zijn handen vol heeft aan allerlei procedures, blijft de "Gauck Behörde' aanvragen afwerken en onthullingen produceren die ongetwijfeld meer van dit soort verrassingen zullen opleveren.

Tot nu toe zijn alleen ambtelijke instanties gemachtigd informatie uit dossiers bij de "Gauck Behörde' op te vragen. Vanaf 1 januari 1992 echter zal volgens de onlangs door de Bondsdag goedgekeurde "Stasi-dossier-wet' iedereen inzage kunnen krijgen in zijn persoonlijke dossiers hebben. Er worden tussen de twintigduizend en veertigduizend aanvragen per maand verwacht. In het oosten is het wantrouwen van iedereen tegen iedereen dermate toegenomen, dat Gauck in een interview heeft gewaarschuwd: degenen die het niet kunnen verdragen dat ze wellicht zijn verraden door hun beste vrienden, doen er beter aan hun dossier niet op te vragen.

Het zal een langdurige bijltjesdag kunnen worden in het voormalige Oost-Duitsland. Duidelijk is nu al dat de strafrechtelijke afwerking van de "regeringscriminaliteit' niet tot het morele tribunaal zal kunnen leiden dat velen wensen: procedures tegen de bonzen, zoals Stasi-chef Mielke, de valutahandelaar Schalck-Golodkowski, de topagent Markus Wolf of de algemeen secretaris van de partij, Honecker, laten op zich wachten, terwijl procedures tegen jonge soldaten die bij de Muur hebben geschoten, wel worden gevoerd, maar op constitutionele bezwaren stuiten wegens de vraag of iets met terugwerkende kracht tot misdrijf kan worden verklaard wat indertijd wet en bevel was.

Voor misdaden die iedereen onvergeeflijk vindt: medewerking aan de bewakingsbureaucratie van de Stasi, kunnen de daders dus maar beter niet strafrechtelijk worden vervolgd. De sanctie die daarop staat is niet vervolging, maar een "beroepsverbod' bij justitie, bij de universiteiten, als ambtenaar of politicus. Gezien de procedurele moeilijkheden bij een justitiële afwerking van "overheidscriminaliteit' is dit een begrijpelijke manier van "Vergangenheitsbewältigung' - ware het niet dat er zo veel grensgevallen waren, variërend van collaboratie met de Stasi tot schijn-medewerking en medewerking en verzet tegelijk. Ook komt het het morele gehalte van het verwerkingsproces niet ten goede dat dit wordt gebruikt voor carrièrestrategieën in het nieuwe Duitsland.

Het algemene wantrouwen in de nieuwe politieke partijen, parlementen en universiteiten in het voormalige Oost-Duitsland draagt bepaald niet bij tot het opbouwen van een democratische mentaliteit en van een rechtsstaat, na twee generaties totalitaire regimes.