Gouden duinrand verliest zijn glans

KATWIJK, 11 DEC. Uit een meertje in de duinen ten zuiden van Katwijk vliegt bij onze nadering een roerdomp op. M. Janssen, beleidscoördinator van de Stichting Duinbehoud, begroet de zeldzame verschijning met gepaste vreugde: “Die komt misschien kijken of er straks weer broedgelegenheid is, want de roerdomp hoort hier van nature thuis”.

Verder is er weinig vrolijks te melden. Clandestiene paden dringen, ondanks een lage prikkeldraadversperring, het duin binnen. Hondedrollen markeren de hoofdroute, zand kan niet meer stuiven door helmaanplant en dat meertje is minder rustiek dan de roerdomp doet vermoeden: het is een van de infiltratievijvers van de Leidse drinkwaterleiding, waar de begroeiing onder invloed van fosfaatrijk Maaswater zienderogen verarmde.

Het gebied dat Janssen ons laat zien illustreert de aftakeling waaraan vrijwel de hele "gouden rand' van Nederland onderhevig is. Een proces van jaren, dat maar niet wil ophouden. Bijna overal tussen Rottumeroog en Cadzand blijven door menselijke ingrepen en milieuvervuiling stukjes ongerept duin verloren gaan; nieuwe wijken, wegenaanleg, recreatie en zure regen - ze eisen stuk voor stuk hun tol van de langgerekte kuststrook. “Het salami-effect is helaas nog lang niet uitgewoed”, stelt Janssen somber vast.

Aanleiding tot de excursie onder Katwijk is een alarmerend rapport dat de in Leiden zetelende stichting na uitvoerig onderzoek publiceerde. Het stuk onder de titel "Zee, Zand en Zorgen' somt 323 zogenoemde knelpunten op, die variëren van schijnbaar onbeduidend tot zeer ernstig en een plaatselijk, regionaal of landelijk karakter hebben. Een verzameling grote en kleine inbreuken op de natuurlijke zeewering.

Het cijfermateriaal in de nota is even indrukwekkend als verontrustend. Van het 42.000 hectare (ruim 420 vierkante kilometer) metende duingebied is inmiddels ruim 10.000 hectare veranderd in druk bezocht recreatieterrein, is een ongeveer even groot oppervlak aangetast door de produktie van 210 miljard liter drinkwater, is 1.700 hectare in gebruik als militair terrein en wordt circa 3.000 hectare onderhouden als zanddijk voor de zeewering. Een eenvoudige optelling leert dat nog niet de helft van het totaal primair als natuurgebied wordt beheerd.

Pag 3:

Duinen lijden onder een "opstapeling van ellende'

Dit alles heeft er - samen met kustafslag, bebouwing, vergraving en verdroging door bosbouw - toe geleid dat ruim tweederde van het Nederlandse duin zijn oorspronkelijke karakter geheel of gedeeltelijk kwijt is. “In dit licht”, aldus het rapport, “is het des te zorgwekkender te moeten constateren dat het overige duingebied ook ernstig wordt bedreigd. Toenemende recreatie, nieuwe bouwplannen, luchtverontreiniging en zure regen zijn hiervan de belangrijkste oorzaken.”

Vooral aan de randen van steden en dorpen signaleert de stichting een "opstapeling van ellende'. Als voorbeelden noemt ze stortplaatsen voor huisvuil, maneges, golfbanen, campings, volkstuintjes en zelfs een trainingsbaan voor politiehonden. Bovendien wordt het duin juist aan de periferie druk bezocht: “De bewoners van aangrenzende woonwijken hebben immers een uniek park voor de deur. Alleen is het duin meestal te kwetsbaar om zoveel betreding en uitgelaten honden te verdragen.”

Bij Katwijk, in de boswachterij Hollands Duin van Staatsbosbeheer, is een "duinrooswandeling' van 3,5 kilometer uitgezet. De plant waaraan dit traject zijn naam ontleent, valt in het winterse seizoen niet op, maar de duindoorn toont her en der zijn stekels. Bezoekers zijn er weinig vandaag, een paar vrouwen met honden en een enkele jogger, maar bijvoorbeeld in juli, bij fraai weer, moet het wel anders zijn. Afgelopen zomer reed hier ook nog een stoomtreintje naar het strand, maar dat bleek regelmatig te ontsporen. De rails liggen er nutteloos bij.

Op regelmatige afstanden heeft Staatsbosbeheer helm geplant om vertrapte stukken duinpan te herstellen. Janssen van de stichting is verre van gelukkig met die maatregel. “Als je daarmee doorgaat, krijg je een onnatuurlijk landschap waar alle dynamiek aan ontnomen is. Wij zeggen: laat maar stuiven. Dit zand zit vol kalk en dat is ook nog goed tegen de verzuring. Om vertrapping tegen te gaan, zou Staatsbosbeheer meer toezicht moeten houden, maar dat gebeurt niet door al die bezuinigingen.”

Lage dijkjes herinneren aan de aardappelteelt, die hier eind vorige eeuw begon en tot kort voor de oorlog voortduurde. Toen begon het gewas te verschrompelen door verdroging als gevolg van de waterwinning: er werd meer drinkwater uit het duin gehaald dan er aan nuttige neerslag neerviel. Ook de natuurlijke begroeiing kreeg hier en elders langs de kust onder dit verschijnsel te lijden en dat was de reden waarom men in de jaren vijftig begon met de infiltratie van voorgezuiverd rivierwater.

Dit systeem wordt nog altijd op grote schaal toegepast. Men laat water van Rijn en Maas in open vijvers stromen om het na een verblijf van enkele weken tot een paar maanden in de bovenste laag van het duinzand terug te winnen. De methode heeft, zuiver geredeneerd vanuit het belang van de drinkwatervoorziening, in het oog springende voordelen. Door de filterende werking van het zand krijgt men leidingwater van een kwaliteit die nauwelijks onderdoet voor grondwater: constant van temperatuur en hygiënisch betrouwbaar. Bovendien wordt in de duinen een reserve aangelegd waar de bevolking in geval van nood ettelijke weken op kan teren.

Maar voor biologen en andere minnaars van de natuur kleven er grote bezwaren aan. Het mag dan waar zijn dat de oppervlakte-infiltratie in van oudsher natte en later uitgedroogde duinvalleien een gunstige invloed had op de vegetatie, elders verdwenen hele plantengemeenschappen die een droog milieu nodig hebben: ze stierven door verdrinking. Dit lot trof bijvoorbeeld grote delen van het beroemde duinberkenbos in de Bierlap bij Den Haag.

Bovendien was de begroeiing niet opgewassen tegen de verslechtering van het rivierwater. Er zaten spoedig zoveel nitraten en fosfaten in, dat zich rond de infiltratieplassen een eenzijdige plantenwereld ontwikkelde. Zeldzame soorten werden verdrongen door brandnetel en akkerdistel, zodat de natuurlijke variatie snel achteruitging.

Ook bij dat meertje onder Katwijk bespeurt iemand als Janssen, afgezien van de roerdomp, slechts tekenen van verarming en daarom hecht hij sterk aan het alternatief dat sinds enige jaren opgang maakt: dat van de diepte-infiltratie. Daarbij wordt rivierwater tot circa veertig meter diep onder slecht doorlatende kleilagen de bodem ingepompt. Het voordeel hiervan is dat men per hectare oppervlak veel meer water kan bergen dan in die open vijvers, terwijl die kleilagen verhinderen dat de verontreinigde vloeistof spontaan opwelt. In het Noordhollands duinreservaat en bij de Waalsdorpervlakte in Den Haag wordt het nieuwe procédé al toegepast, en er zijn plannen om ook tussen Scheveningen en Katwijk, zowel in als achter het duin, een serie diepe putten te slaan om de natuur te sparen. Alleen de Amsterdamse drinkwaterleiding blijft volgens Janssen achter.

Als de "duinrooswandeling' ten einde is, moet hij de hondepoep van zijn schoenen vegen. Ongeveer op deze plek, waar het duin ophoudt en het open veld begint, wil het Katwijkse gemeentebestuur een nieuwe wijk aanleggen. Janssen: “Wat wij vurig hopen, is dat ze dan ook iets aan recreatie-opvang voor al die nieuwe bewoners doen. Een gebied met bomen en struiken om een balletje te trappen en de hond uit te laten, want anders trekken ze met z'n allen het kwetsbare duin in en je ziet wat de gevolgen zijn.”