Europa is nog niet klaar voor de volgende eeuw

MAASTRICHT, 11 DEC. Na een draagtijd van ruim anderhalf jaar hebben de twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap vannacht dan eindelijk een Europese Unie ter wereld gebracht. Maar de begrijpelijke blijdschap daarover wordt ontegenzeggelijk getemperd door het feit dat de boreling verre van volmaakt is.

Het verdrag over economische en monetaire unie (EMU) is, met de bekende reserves van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, een vaststaand feit: ten laatste op 1 januari 1999 kunnen EG-lidstaten overgaan op één munt en één centrale bank. Maar aan een communautaire sociale politiek zullen slechts elf lidstaten deelnemen. De bepalingen daarover zijn in een afzonderlijke, niet door de Britten ondertekende annex aan het verdrag over de politieke unie toegevoegd.

De kunstgreep die daarvoor uit de communautaire trucendoos is gehaald doet heel wat vragen rijzen. Hoe is het mogelijk dat het Verdrag van Rome, dat rechtskracht heeft in twaalf landen, nu wordt aangevuld met een overeenkomst die slechts door elf landen is ondertekend? De Britten, zo lijkt het, hebben met hun weigering om de sociale paragraaf van het nieuwe verdrag te accepteren eigenlijk een soort status weten te verwerven van erkende gewetensbezwaarde. Daarvan zou een gevaarlijke precedentwerking kunnen uitgaan. Zowel de juridisch-technische, als de politieke en economische gevolgen van deze uitzonderingspositie zijn nog niet te overzien. Het is alsof het Verenigd Koninkrijk een keuze à la carte is gegund, terwijl de andere lidstaten het menu hebben besteld. Premier Lubbers sprak gisteren van “tempoverschillen” en sprak de overtuiging uit dat de Britten zich uiteindelijk weer bij de anderen zouden voegen. Hij wees erop dat dat in de geschiedenis van de Europese integratie vaker is gebeurd. Het Verenigd Koninkrijk is pas in 1973 lid geworden van de EG, toen al een groot deel van de EG-wetgeving tot stand was gebracht.

Aan Europese ministerraden van sociale zaken waar uit de sociale annex voortvloeiende wetgeving aan de orde komt zal de Britse minister niet deelnemen. Op zichzelf is dat geen nieuw fenomeen in de vaak zo bizarre geschiedenis van de Europese Gemeenschap. In de jaren '60 was het Frankrijk van Charles de Gaulle dat weigerde deel te nemen aan ministerraden waar met unanimiteit werd besloten over aangelegenheden waarbij een verondersteld “nationaal belang” in het geding was. Aan die “politiek van de lege stoel” kwam pas in 1965 een eind na een moeizaam bereikt “compromis van Luxemburg”.

De Britse premier Major verwees vannacht naar het subsidiariteitsbeginsel ter rechtvaardiging van zijn weigering het sociale pakket te aanvaarden. De andere lidstaten hadden nu eenmaal andere omstandigheden en andere tradities op het gebied van arbeidsvoorwaarden dan het Verenigd Koninkrijk. Maar het verschil in sociale wetgeving tussen de Britse eilanden en het continent - de landmassa, zoals een Brits onderdaan het uitdrukte - zal nu steeds groter worden, met als gevolg een steeds grotere discrepantie van de concurrentiepositie. Goed voor het Verenigd Koninkrijk misschien, maar niet voor een Europese Unie die streeft naar zo gelijk mogelijke uitgangsposities van de lidstaten.

Een Brusselse waarnemer voorspelde vannacht moeilijkheden: “Ze zullen onmiddellijk in de problemen komen omdat het Europees Parlement, waar de socialisten in de meerderheid zijn, dit niet pikt.” Het Europees Parlement heeft formeel niets over het verdrag te zeggen. Maar het gevolg kan wel zijn dat het verdrag zoals het er nu ligt niet wordt geratificeerd door een aantal nationale parlementen - onder meer het Belgische en het Italiaanse parlement hebben aangekondigd dat ze niet zullen ratificeren als het EP tegen is - en dan zouden de onderhandelingen opnieuw moeten beginnen. Maar is er dan nog een Conservatieve regering in Londen?

Voor de Britse publieke opinie kan Major voorlopig bogen op een politieke overwinning in Maastricht: de sociale paragraaf - het "s-woord' - is eruit, het "f-woord' is eruit en ook wat betreft de buitenlandse en veiligheidspolitiek heeft hij zijn zin gekregen. Het resultaat van de onderhandelingen over de defensieparagraaf noemde Major “goed voor de NAVO, goed voor ons”. De interpretatie van de artikelen in het nieuwe verdrag over de betrekkingen tussen de Europese Unie, de Westeuropese Unie en de NAVO verschilt echter van land tot land. De Franse president Mitterrand legde er vannacht toch vooral de nadruk op dat er “op termijn” sprake zal zijn van een echte Europese “gezamenlijke defensie”. Van de Westeuropese Unie wordt in artikel 2 immers gezegd dat die “integraal deel uitmaakt van de ontwikkeling van de Europese Unie”, wat toch heel anders klinkt dan de “volstrekte autonomie” die de Britten aan de WEU blijven toeschrijven. Veel van de artikelen over de WEU zijn echter zo vaag - wat is bijvoorbeeld die "ontwikkeling van de Europese Unie' - dat ze inderdaad voor verschillende uitleg vatbaar zijn.

Wat op het eerste gezicht dus een éclatante triomf voor het Verenigd Koninkrijk lijkt, zou later wel eens een Pyrrhus-overwinning kunnen zijn. Als de Britten over een paar jaar, zoals Lubbers zei, zich alsnog als ondertekenaar van het sociale handvest melden, dan moeten zij het gehele "acquis communautaire à onze', dat de elf andere landen vanaf nu tot stand zullen brengen, aanvaarden. De klap zal dan waarschijnlijk veel groter zijn dan wanneer ze zich er na bij hadden aangesloten. Want invloed op de nieuwe regels hebben zij nu niet.

De armere landen van de Europese Unie hebben na deze top een paar kleine concessies toegeworpen gekregen: Griekenland mag in de WEU, er komt extra geld voor minder ontwikkelde landen en de verdeling van de nationale contributies aan Brussel wordt rechtvaardiger.

De top van Maastricht heeft verdragswijzigingen opgeleverd die vooral een tijdelijk karakter hebben: in 1996 zal een nieuwe intergouvernementele conferentie (IGC) bijeengeroepen worden waar de bepalingen over de politieke unie zullen worden herzien. Wat betreft de uitbreiding van de Europese Unie wordt alleen geconstateerd in de conclusies van het voorzitterschap dat “elke staat waarvan het regeringsstelsel is gebaseerd op het beginsel van de democratie kan vragen om lid te worden van de Unie”. Voor de Europese Raad van Lissabon, over zes maanden moet de Europese Commissie die kwestie en de implicaties daarvan onderzoeken.

De top van Maastricht zou, zo is steeds gezegd, vorm gaan geven aan het Europa van de 21ste eeuw. Of dat is gebeurd is de vraag. Er ligt in elk geval een blauwdruk op tafel die op tal van punten in de loop van dit decennium nog moet worden ingevuld en bijgekleurd.